Excursie verslag de Braak 11-12-2009.
De zon scheen, het was koud en klokslag 10 uur vertrokken we in 3 groepjes het parkje in.
Ik liep mee met de groep van Bas waarbij ook Anthonie zich had aangesloten, en dat had zo zijn voordelen….(hierover later meer)
Het parkje is een soort openluchtmuseum. Want in dit park (samen met het Thijssepark) staan 550 soorten bomen en struiken, waarvan 80 % op de rode lijst!
Het park beslaat 5 ha. en is even groot als het Thijssepark. Het lijkt echter veel kleiner door de indeling. Het meertje is ooit ontstaan door een doorgebroken dijk. Het park bestaat grotendeels uit veengrond wat tegen beter weten in, steeds opnieuw weer opgehoogd moet worden. Anders verzakt het. Door de zuurstof die er bij komt wordt het verteerd en klinkt het in. Als je er niets aan zou doen, zou het binnen twee jaar een broekbos worden.
Het ophogen, wieden, baggeren van de vijver, het renoveren van de bruggen, en ander grondwer,k wordt door vier mensen gedaan, fulltime.
Het park kost veel geld maar het is de inwoners van Amstelveen er veel aan gelegen om ze te behouden; men is trots op zijn parken en daarom staan hier nog steeds geen luxe woningen!
Gespotte vogels (niet door mij, want ik was druk aan het opschrijven): Halsbandparkiet (met rode bef), vlaamse gaai, meerkoeten (ong. 30 stuks, en aardig om te weten is dat je ze heel makkelijk kunt pakken als je je hand boven de plek houdt waar ze onder water zijn gedoken; ze komen nl. altijd weer op dezelfde plek boven..), merel, groene specht (jaagt op mieren en goed te zien omdat ze ‘s winters altijd op plekken zoeken waar het pas gemaaid is), blauwe reiger (zit er het hele jaar door), zwanen en krakeenden. Krakeenden pakken het eten van de meerkoet, zodra deze duikt en zijn eten loslaat.
Het park kent veel wintergasten, waaronder de nijlgans, kuifeenden en aalscholvers (als de vijver openblijft/niet dichtvriest). Aalscholvers hebben geen vetklieren, i.t.t. veel andere vogels; als ze uit het water komen zijn ze loeizwaar van het water. Ze spreiden dan hun vleugels om ze te drogen.
Bas attendeert ons op een groot spechtengat; de specht denkt een insect te zien en begint een gat te hakken in een boom.
Ook wijst hij ons op de niche van een koolmees; een houten vogelhuisje want er zijn geen oude rotte bomen om gaatjes in te maken. Als het gat van het vogelhuisje klein is, diameter 2 euro, dan zit er een pimpelmeesje in. Is het gat groter, dan past het koolmeesje erdoor en verjaagt hij de pimpelmees.
We zien al uitlopers van de daslook en de zomerklokjes…
Weinig paddenstoelen; zwavelkoppen, geweizwammen, rode meniezwam en een niet gedetermineerde plaatjeszwam.
Later kwam Carla nog met een vondst; het viltig judasoortje, gevonden op een oude stronk.
De haagbeuk is te herkennen aan zijn gespierde stam. Jonge exemplaren houden hun blaadjes vast om hun knoppen te beschermen.
Dubbelloof, een varensoort, heeft groene bladeren voor fotosynthese en aparte voor sporen; deze staan hoger dan de rest en vangen meer wind, voor de verspreiding.
Gelukkig liet Anthonie ons nu de binnenkant van zijn werkkeet zien, waardoor mijn vingers weer konden ontdooien en we allemaal werden getrakteerd op koffie.
Lang leve Anthonie!
Helaas was er dit keer niemand jarig dus geen zangpartijen en koek..
Hannie vertelde nog even waar het woord pechvogel vandaan kwam; de pechvogel is gemaakt van stof en werd vroeger naar een lastige leerling gegooid. Deze ving hem op, bracht hem naar de meester/juf terug, en kreeg als dank een mep met een meetlat of riet op de de handen.
Allemaal een goed nieuw jaar gewenst!
Groet, Brigit van Tongeren
vrijdag 18 december 2009
zaterdag 12 december
Excursieverslag Park De Braak
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.
Gert-Jan Roebersen.
Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes
Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje
Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro
Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad
Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor
Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai
Insecten:
Lieveheersbeest
Mug
Overig:
Zoetwatermossel (schelp)
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.
Gert-Jan Roebersen.
Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes
Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje
Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro
Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad
Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor
Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai
Insecten:
Lieveheersbeest
Mug
Overig:
Zoetwatermossel (schelp)
donderdag 3 december 2009
zaterdag 21 november
Vogeleiland 21 november 2009 10.00 – 13.00 uur
Woensdag was er regen en narigheid voorspeld en met de regenachtige ochtend in park Lagerhuis in gedachte gingen we vol goede moed op weg. Gelukkig was het goed weer, zelfs eindigend in stralend.
In 2 groepen hebben we langs 10 meter touw geïnventariseerd welke planten we wisten te herkenen aan de vegetatieve kenmerken. Wij begonnen langs daar waar het zompig was. Allereerst ging onze belangstelling uit naar de rode vruchten van de Gelderse roos. Deze giftige vruchten worden niet gewaardeerd door onze vogels. In de winter, komen er vaak pestvogels die van Gelderse roos naar Gelderse roos trekken.
Langs de lijn:
Zomprus
Moerasspirea
Weegbree
Kale Jonker
Akkerdistel
Rolklaver
(Oever)zegge
Bies
Watermunt
Hertshooi
Engelwortel
Kruipende boterbloem
Wilgenroosje
Kleine valeriaan
Pinksterbloem
Boogsterrenmos
Gerimpeld boogsterrenmos
Rimpelmos
Kleine Water Eppe
Wilde Bosrank
Er vliegt een sperwer over, te herkennen aan het fladderen afgewisseld met zweven. Een sperwer bid niet en heeft een lange staart.
Turkse Hazelaar
Langs de tweede lijn:
Bieslook
Wollige Munt
Mierikswortel
Raapzaad
Inheemse bereklauw
Ridderzuring
Smeerwortel
Kweek
Blauwe knoop (niet helemaal langs de lijn)
Hondsdraf
Klein streepzaad
Ereprijs
Kleefkruid
Vogelmuur
Biggekruid
Zevenblad
Paardenbloem
Dikkopmos
Libel (vrouwtje van de blauwe glazenmaker, haar lichte delen zijn doorgaans groen en haar ogen hebben geen blauw, zie foto onderaan)
Goudhaantje
Sijsjes
Roodborstje
Mossen
De mossen zijn ingedeeld in bladmossen, levermossen en hauwmossen.
De bladmossen zijn onderverdeeld in topkapselmossen, slaapmossen en veenmossen.
Mossen onderscheiden zich van andere sporeplanten door hun levenscyclus: uit een spore (rechtsonder) groeit een voorkiem (protonema)(onder) en daaruit een mosplantje (de gametofyt)(centraal), waarop vervolgens een sporekapsel (sporofyt) gaat groeien. Uit het sporekapsel komen de sporen.
Woensdag was er regen en narigheid voorspeld en met de regenachtige ochtend in park Lagerhuis in gedachte gingen we vol goede moed op weg. Gelukkig was het goed weer, zelfs eindigend in stralend.
In 2 groepen hebben we langs 10 meter touw geïnventariseerd welke planten we wisten te herkenen aan de vegetatieve kenmerken. Wij begonnen langs daar waar het zompig was. Allereerst ging onze belangstelling uit naar de rode vruchten van de Gelderse roos. Deze giftige vruchten worden niet gewaardeerd door onze vogels. In de winter, komen er vaak pestvogels die van Gelderse roos naar Gelderse roos trekken.
Langs de lijn:
Zomprus
Moerasspirea
Weegbree
Kale Jonker
Akkerdistel
Rolklaver
(Oever)zegge
Bies
Watermunt
Hertshooi
Engelwortel
Kruipende boterbloem
Wilgenroosje
Kleine valeriaan
Pinksterbloem
Boogsterrenmos
Gerimpeld boogsterrenmos
Rimpelmos
Kleine Water Eppe
Wilde Bosrank
Er vliegt een sperwer over, te herkennen aan het fladderen afgewisseld met zweven. Een sperwer bid niet en heeft een lange staart.
Turkse Hazelaar
Langs de tweede lijn:
Bieslook
Wollige Munt
Mierikswortel
Raapzaad
Inheemse bereklauw
Ridderzuring
Smeerwortel
Kweek
Blauwe knoop (niet helemaal langs de lijn)
Hondsdraf
Klein streepzaad
Ereprijs
Kleefkruid
Vogelmuur
Biggekruid
Zevenblad
Paardenbloem
Dikkopmos
Libel (vrouwtje van de blauwe glazenmaker, haar lichte delen zijn doorgaans groen en haar ogen hebben geen blauw, zie foto onderaan)
Goudhaantje
Sijsjes
Roodborstje
Mossen
De mossen zijn ingedeeld in bladmossen, levermossen en hauwmossen.
De bladmossen zijn onderverdeeld in topkapselmossen, slaapmossen en veenmossen.
Mossen onderscheiden zich van andere sporeplanten door hun levenscyclus: uit een spore (rechtsonder) groeit een voorkiem (protonema)(onder) en daaruit een mosplantje (de gametofyt)(centraal), waarop vervolgens een sporekapsel (sporofyt) gaat groeien. Uit het sporekapsel komen de sporen.
dinsdag 17 november 2009
zaterdag 7 november
Excursie park Langerhuizen 7 november 2009
Regen, regen en nog wat meer water. Deze zware depressie trok over ons heen, maar had gelukkig geen weerslag op de groep. Vol goede moed en met een opperbest humeur begonnen we aan de excursie. De eerste 20 minuten werden verzorgd door Jaap, Femke en Birgit. Zij vertelden ons achtereenvolgens iets over de ontstaansgeschiedenis, de bolgewassen, het ecologische beheer en de paddenstoelen. Daarna namen Wies, Carla en Bas de rondleiding over en vertelden ons over de ecologie en rondleidingtechnieken.
Na een rommelig begin neemt Jaap het woord en vertelt over de ontstaansgeschiedenis. Het park is aangelegd in 1960 en was eigendom van meneer Muntz die er woonde in boerderij Langerhuizen. Hij heeft er allemaal populieren laten planten, met als doel deze bomen na ongeveer 40 jaar te kappen. Het moest dus een kapbos worden. Jaren later is de boerderij verdwenen en de grond voor veel geld verkocht.
Dit parkje staat vooral bekend om haar vele knol –en bolgewassen. Zo vind je hier veel narcissen, wilde hyacinten, sneeuwklokken, holwortel, daslook, herfststijlloos en paarse schubwortel. De paarse schubwortel is na de sneeuwklokken een van de vroegste bloeiers in ons land. Eind februari – begin maart is de plant al te zien. De prachtige fel paarse bloemen zijn een echte blikvanger en kunnen enorme plakkaten vormen. De plant heeft geen blad, maar witte schubben onderaan de stengel. De paarse schubwortel is een parasiet die vooral huist op de wortels van populier en wilg.
Femke legt ons uit hoe en waarom ‘slechte’ bomen worden geringd en niet gekapt. De boom rond wordt er een stuk bast weggezaagd, waardoor de sapstroom stopt. Hierdoor sterft de boom sneller af en krijg je “staand dood hout”. Dit is vooral goed voor allerlei insecten, paddenstoelen en spechten. De spechtengaten zijn dan ook volop aanwezig en duidelijk waarneembaar. Er is niet alleen “staand dood hout”, maar ook “liggend dood hout”. Dit zijn gekapte bomen waarvan men de stam op de grond laat liggen. Dit trekt weer andere insecten en paddenstoelen dan “staand dood hout”. Na het wegtrekken van een stukje bast treffen we hier spinnetjes, pissebedden en een bruine kikker aan. Het snoeihout(takken) en de dode takken worden gebruikt voor het maken van takkenrillen. Deze zijn uitermate geschikt voor kleine zoogdieren, zoals bunzing, hermelijn, egels en muizen. Maar niet alleen voor kleine zoogdieren zijn de takkenrillen belangrijk, ook paddenstoelen, insecten en zangvogels hebben er baat bij.
Onder de bezielende leiding van Birgit worden we door de bosjes meegesleurd opzoek naar paddenstoelen. Van reuzenbovist tot rode meniezwam en van houtskoolzwam tot gekrulde aardster, ze weet ze allemaal te vinden. Op een staande dode berk zit een tonderzwam, dat er elk jaar een ring bij krijgt. Op een liggende dode berk treffen we zwavelkopjes aan met hun mooie geel, grauwe hoed. Verderop in een takkenril ligt een tak van een vlier en, u raadt het al, natuurlijk vinden we hier het judasoor. Op de grond vinden we de hertenzwam en niet ver daarvandaan ligt het gewei(zwammetje).
Na de iets uitgelopen, maar zeer leuke rondleiding van dit trio was de beurt aan het volgende trio. Wies, Carla en Bas stonden te popelen om het over te nemen en staken direct van wal. Bas legde een rondleidingtechniek aan de hand van bladeren uit. Zo is het handiger om in plaats van meteen alles te benoemen eerst verschillende bladeren te verzamelen, even wachten op een goed moment en dan pas de verschillen laten zien. Het verschil in grootte, de kleurverschillen en verschillende soorten vraat zijn dan goed zichtbaar. Bij vraat bijvoorbeeld kun je bij het ene blad goed zien dat het is aangevreten door een rups en het andere blad door een kever. Een rups eet het hele blad op, omdat er kalk in de nerven zit en de rups dit nodig heeft. Een kever heeft dat niet nodig en laat daarom een geraamte over(de nerven van het blad). Door het op deze manier uit te leggen wordt het overzichtelijker en makkelijker voor iedereen. Verder is het erg belangrijk dat je met je gezicht naar je publiek toe gaat staan als je praat.
Even verderop staat Carla een groepje bomen te aaien. Raar, is het eerste dat bij mij opkomt, maar nadat ik het zelf ook gedaan heb toch iets minder raar. Je kunt goed voelen dat de berkenstam warmer is dan die van de wilg en haagbeuk. Bij de berk zit er een luchtlaag in de bast die de boom in de warme periodes koel houdt en in de koude periodes warm houdt.
Bas staat alweer klaar met een blad. Er zit een gele vlek met een bruin kloddertje in het midden van een groen blad. Rara, hoe komt dat? Een insect heeft een eitje afgezet in het blad. Vervolgens eet de larve het bladgroen op. Er ontstaat een gele vlek. En net zoals bij mensen moet die larve ook weleens een poepje doen. Gevolg:bruin kloddertje.
Langs het pad ligt nog een dode stam. Nadat we de bast verwijderd hebben, kun je goed zien dat dood hout leeft. Er verschijnen tientallen pissebedden, bruine kikkers, spinnen en er zijn gangen te zien van rupsen.
En dan volgt het hoogtepunt van de ochtend. We komen er achter dat Marit net jarig is geweest. Heel voorzichtig wordt er een lang zal ze leven ingezet. Al snel slaat het over op de rest van de groep en even later staat iedereen uit volle borst mee te zingen. Hoera, hoera,hoera. Wat een geluid. Alleen de halsbandparkieten krijsen harder. Gefeliciteerd met je 26ste verjaardag.
Na deze prachtige zang liepen we terug over de oude veendijk. Net als in Wilnis is deze niet zo stevig meer en staat eigenlijk op instorten. Onderweg kwamen we nog een paar grote zilverabelen, spierwitte champignons, groene halsbandparkieten en een roodborst tegen. Rond een uur of twaalf was de excursie al afgelopen. Ondanks dat deze iets korter was, was het zeer leerzaam.
Anthony Reijersen van Buuren
16 november 2009
Regen, regen en nog wat meer water. Deze zware depressie trok over ons heen, maar had gelukkig geen weerslag op de groep. Vol goede moed en met een opperbest humeur begonnen we aan de excursie. De eerste 20 minuten werden verzorgd door Jaap, Femke en Birgit. Zij vertelden ons achtereenvolgens iets over de ontstaansgeschiedenis, de bolgewassen, het ecologische beheer en de paddenstoelen. Daarna namen Wies, Carla en Bas de rondleiding over en vertelden ons over de ecologie en rondleidingtechnieken.
Na een rommelig begin neemt Jaap het woord en vertelt over de ontstaansgeschiedenis. Het park is aangelegd in 1960 en was eigendom van meneer Muntz die er woonde in boerderij Langerhuizen. Hij heeft er allemaal populieren laten planten, met als doel deze bomen na ongeveer 40 jaar te kappen. Het moest dus een kapbos worden. Jaren later is de boerderij verdwenen en de grond voor veel geld verkocht.
Dit parkje staat vooral bekend om haar vele knol –en bolgewassen. Zo vind je hier veel narcissen, wilde hyacinten, sneeuwklokken, holwortel, daslook, herfststijlloos en paarse schubwortel. De paarse schubwortel is na de sneeuwklokken een van de vroegste bloeiers in ons land. Eind februari – begin maart is de plant al te zien. De prachtige fel paarse bloemen zijn een echte blikvanger en kunnen enorme plakkaten vormen. De plant heeft geen blad, maar witte schubben onderaan de stengel. De paarse schubwortel is een parasiet die vooral huist op de wortels van populier en wilg.
Femke legt ons uit hoe en waarom ‘slechte’ bomen worden geringd en niet gekapt. De boom rond wordt er een stuk bast weggezaagd, waardoor de sapstroom stopt. Hierdoor sterft de boom sneller af en krijg je “staand dood hout”. Dit is vooral goed voor allerlei insecten, paddenstoelen en spechten. De spechtengaten zijn dan ook volop aanwezig en duidelijk waarneembaar. Er is niet alleen “staand dood hout”, maar ook “liggend dood hout”. Dit zijn gekapte bomen waarvan men de stam op de grond laat liggen. Dit trekt weer andere insecten en paddenstoelen dan “staand dood hout”. Na het wegtrekken van een stukje bast treffen we hier spinnetjes, pissebedden en een bruine kikker aan. Het snoeihout(takken) en de dode takken worden gebruikt voor het maken van takkenrillen. Deze zijn uitermate geschikt voor kleine zoogdieren, zoals bunzing, hermelijn, egels en muizen. Maar niet alleen voor kleine zoogdieren zijn de takkenrillen belangrijk, ook paddenstoelen, insecten en zangvogels hebben er baat bij.
Onder de bezielende leiding van Birgit worden we door de bosjes meegesleurd opzoek naar paddenstoelen. Van reuzenbovist tot rode meniezwam en van houtskoolzwam tot gekrulde aardster, ze weet ze allemaal te vinden. Op een staande dode berk zit een tonderzwam, dat er elk jaar een ring bij krijgt. Op een liggende dode berk treffen we zwavelkopjes aan met hun mooie geel, grauwe hoed. Verderop in een takkenril ligt een tak van een vlier en, u raadt het al, natuurlijk vinden we hier het judasoor. Op de grond vinden we de hertenzwam en niet ver daarvandaan ligt het gewei(zwammetje).
Na de iets uitgelopen, maar zeer leuke rondleiding van dit trio was de beurt aan het volgende trio. Wies, Carla en Bas stonden te popelen om het over te nemen en staken direct van wal. Bas legde een rondleidingtechniek aan de hand van bladeren uit. Zo is het handiger om in plaats van meteen alles te benoemen eerst verschillende bladeren te verzamelen, even wachten op een goed moment en dan pas de verschillen laten zien. Het verschil in grootte, de kleurverschillen en verschillende soorten vraat zijn dan goed zichtbaar. Bij vraat bijvoorbeeld kun je bij het ene blad goed zien dat het is aangevreten door een rups en het andere blad door een kever. Een rups eet het hele blad op, omdat er kalk in de nerven zit en de rups dit nodig heeft. Een kever heeft dat niet nodig en laat daarom een geraamte over(de nerven van het blad). Door het op deze manier uit te leggen wordt het overzichtelijker en makkelijker voor iedereen. Verder is het erg belangrijk dat je met je gezicht naar je publiek toe gaat staan als je praat.
Even verderop staat Carla een groepje bomen te aaien. Raar, is het eerste dat bij mij opkomt, maar nadat ik het zelf ook gedaan heb toch iets minder raar. Je kunt goed voelen dat de berkenstam warmer is dan die van de wilg en haagbeuk. Bij de berk zit er een luchtlaag in de bast die de boom in de warme periodes koel houdt en in de koude periodes warm houdt.
Bas staat alweer klaar met een blad. Er zit een gele vlek met een bruin kloddertje in het midden van een groen blad. Rara, hoe komt dat? Een insect heeft een eitje afgezet in het blad. Vervolgens eet de larve het bladgroen op. Er ontstaat een gele vlek. En net zoals bij mensen moet die larve ook weleens een poepje doen. Gevolg:bruin kloddertje.
Langs het pad ligt nog een dode stam. Nadat we de bast verwijderd hebben, kun je goed zien dat dood hout leeft. Er verschijnen tientallen pissebedden, bruine kikkers, spinnen en er zijn gangen te zien van rupsen.
En dan volgt het hoogtepunt van de ochtend. We komen er achter dat Marit net jarig is geweest. Heel voorzichtig wordt er een lang zal ze leven ingezet. Al snel slaat het over op de rest van de groep en even later staat iedereen uit volle borst mee te zingen. Hoera, hoera,hoera. Wat een geluid. Alleen de halsbandparkieten krijsen harder. Gefeliciteerd met je 26ste verjaardag.
Na deze prachtige zang liepen we terug over de oude veendijk. Net als in Wilnis is deze niet zo stevig meer en staat eigenlijk op instorten. Onderweg kwamen we nog een paar grote zilverabelen, spierwitte champignons, groene halsbandparkieten en een roodborst tegen. Rond een uur of twaalf was de excursie al afgelopen. Ondanks dat deze iets korter was, was het zeer leerzaam.
Anthony Reijersen van Buuren
16 november 2009
woensdag 11 november 2009
zaterdag 7 november
Locatie: park Langerhuize
Thema: Ecologie onder leiding van Wies, Carla en Bas
Op deze regenachtige zaterdagochtend ontmoeten wij elkaar bij de ingang van park Langerhuize.
Femke, Birgit en Jaap hebben zich voorbereid om een en ander te vertellen over dit gebied.
Jaap licht de ontstaansgeschiedenis van het gebied toe en vertelt over bijzondere planten die hier in dit seizoen alleen nog ondergronds aanwezig zijn. Er staan veel sneeuwklokjes, wilde hyacinthen en paarse schubwortel. De schubwortel parasiteert op wortels van de populier en de wilg, soms op wortels van de els en de hazelaar.
Jaap heeft een knol van de herfststijlloos met uitlopers meegenomen. Herfststijlloos heeft geen blad, de lila bloem lijkt op een krokus en komt rechtstreeks uit de knol. In het begin van de herfst zijn deze bloemen hier te vinden.
Femke laat zien dat sommige bomen “geringd” zijn. In de bast is circulair een verwonding aangebracht om toch al ten dode opgeschreven bomen versneld te laten afsterven. De dode boom levert goede mogelijkheden voor vogels zoals de specht en ook voor insecten. De sporen van deze Verslag van de IVN Natuurgidsencursusexcursie op 7 november 2009
dieren zijn goed waarneembaar.
Ook vertelt zij over de hier en daar aangebrachte takkenrillen die een goede schuilplaats vormen voor bijvoorbeeld de bunzing, egel, hermelijn en insecten. De aanwezigheid van insecten is weer van nut voor de vogels.
Birgit heeft zich toegelegd op de paddenstoelensoorten. De soorten die wij gezien hebben zijn o.a.
de hertenzwam, bundelmycena, reuzenbovist, zwavelkop, judasoor, taailing en de gekraagde aardster. Op oud hout groeien het geweizwammetje, de rode meniezwam, het oranje knoopje en houtskoolzwammetjes.
De bedoeling van de ochtend is om ons bezig te houden met de ecologie van het landschap.
Carla heeft graafgereedschap, loeppotjes en dergelijke meegenomen. Door de barre weersomstandigheden hebben wij ons beperkt tot het vangen van een miljoenpoot en een Aziatisch lieveheersbeestje met witte wangplaten.
Bas vertelt over de invloed van het licht op de bomen. De natuur ontmengt de kleuren van het blad: het donkere groen wordt onttrokken aan het blad en wordt via het steeltje terug in het takje gebracht. Daar wordt de energie opgeslagen.
De vraatsporen van insecten zien we in een aantal boombladeren. De nerven van bladeren hebben een hoog kalkgehalte. Kevers houden hier niet van en knagen rondom de nerven. Slakken en rupsen daarentegen eten vanaf de rand van het blad inclusief de nerven.
Larfjes laten vaak een netwerkje in het blad staan.
Er staan drie grote bomen langs het pad, een wilg, een berk en een haagbeuk. Als we gevoeld hebben aan de respectievelijke stammen komen we tot de conclusie dat de stam van de berk het warmst aanvoelt. Dat komt door het luchtlaagje, een soort bontjasje, dat tussen de bast en de stam zit. Daarna volgt de wilg, die een dikke onregelmatige bast heeft. De gladde buitenkant van de haagbeuk voelt ijskoud aan.
Aan het eind van het pad staan we op de Veendijk die bezig is langzaam in te storten net zoals in Wilnis niet zo lang geleden is gebeurd.
We zien daar nog een aantal bijzonderheden zoals:
zwarte nachtschade
peterselievlier
reuzenzwam
stijfselzwam
een uilenkast
een groene kikker die onder schors van een oude gevelde boom bivakkeert
Verder hebben we verscheidene bruine kikkertjes gezien en restantjes van een rivierkreeftje, waarschijnlijk door een reiger of kraai gepakt.
Vogels: roodborst en veel luidruchtige halsbandparkieten.
Iets eerder dan gewoonlijk is de excursie beëindigd. In min of meer deplorabele toestand is de ene helft van de groep rillerig naar huis gegaan. De anderen hebben bij Carla thuis nog koffie gedronken.
Ondanks de weersomstandigheden was het vandaag alweer de moeite waard en viel er veel te leren.
Ida Oosterhof
7 november 2009
Thema: Ecologie onder leiding van Wies, Carla en Bas
Op deze regenachtige zaterdagochtend ontmoeten wij elkaar bij de ingang van park Langerhuize.
Femke, Birgit en Jaap hebben zich voorbereid om een en ander te vertellen over dit gebied.
Jaap licht de ontstaansgeschiedenis van het gebied toe en vertelt over bijzondere planten die hier in dit seizoen alleen nog ondergronds aanwezig zijn. Er staan veel sneeuwklokjes, wilde hyacinthen en paarse schubwortel. De schubwortel parasiteert op wortels van de populier en de wilg, soms op wortels van de els en de hazelaar.
Jaap heeft een knol van de herfststijlloos met uitlopers meegenomen. Herfststijlloos heeft geen blad, de lila bloem lijkt op een krokus en komt rechtstreeks uit de knol. In het begin van de herfst zijn deze bloemen hier te vinden.
Femke laat zien dat sommige bomen “geringd” zijn. In de bast is circulair een verwonding aangebracht om toch al ten dode opgeschreven bomen versneld te laten afsterven. De dode boom levert goede mogelijkheden voor vogels zoals de specht en ook voor insecten. De sporen van deze Verslag van de IVN Natuurgidsencursusexcursie op 7 november 2009
dieren zijn goed waarneembaar.
Ook vertelt zij over de hier en daar aangebrachte takkenrillen die een goede schuilplaats vormen voor bijvoorbeeld de bunzing, egel, hermelijn en insecten. De aanwezigheid van insecten is weer van nut voor de vogels.
Birgit heeft zich toegelegd op de paddenstoelensoorten. De soorten die wij gezien hebben zijn o.a.
de hertenzwam, bundelmycena, reuzenbovist, zwavelkop, judasoor, taailing en de gekraagde aardster. Op oud hout groeien het geweizwammetje, de rode meniezwam, het oranje knoopje en houtskoolzwammetjes.
De bedoeling van de ochtend is om ons bezig te houden met de ecologie van het landschap.
Carla heeft graafgereedschap, loeppotjes en dergelijke meegenomen. Door de barre weersomstandigheden hebben wij ons beperkt tot het vangen van een miljoenpoot en een Aziatisch lieveheersbeestje met witte wangplaten.
Bas vertelt over de invloed van het licht op de bomen. De natuur ontmengt de kleuren van het blad: het donkere groen wordt onttrokken aan het blad en wordt via het steeltje terug in het takje gebracht. Daar wordt de energie opgeslagen.
De vraatsporen van insecten zien we in een aantal boombladeren. De nerven van bladeren hebben een hoog kalkgehalte. Kevers houden hier niet van en knagen rondom de nerven. Slakken en rupsen daarentegen eten vanaf de rand van het blad inclusief de nerven.
Larfjes laten vaak een netwerkje in het blad staan.
Er staan drie grote bomen langs het pad, een wilg, een berk en een haagbeuk. Als we gevoeld hebben aan de respectievelijke stammen komen we tot de conclusie dat de stam van de berk het warmst aanvoelt. Dat komt door het luchtlaagje, een soort bontjasje, dat tussen de bast en de stam zit. Daarna volgt de wilg, die een dikke onregelmatige bast heeft. De gladde buitenkant van de haagbeuk voelt ijskoud aan.
Aan het eind van het pad staan we op de Veendijk die bezig is langzaam in te storten net zoals in Wilnis niet zo lang geleden is gebeurd.
We zien daar nog een aantal bijzonderheden zoals:
zwarte nachtschade
peterselievlier
reuzenzwam
stijfselzwam
een uilenkast
een groene kikker die onder schors van een oude gevelde boom bivakkeert
Verder hebben we verscheidene bruine kikkertjes gezien en restantjes van een rivierkreeftje, waarschijnlijk door een reiger of kraai gepakt.
Vogels: roodborst en veel luidruchtige halsbandparkieten.
Iets eerder dan gewoonlijk is de excursie beëindigd. In min of meer deplorabele toestand is de ene helft van de groep rillerig naar huis gegaan. De anderen hebben bij Carla thuis nog koffie gedronken.
Ondanks de weersomstandigheden was het vandaag alweer de moeite waard en viel er veel te leren.
Ida Oosterhof
7 november 2009
woensdag 21 oktober 2009
zaterdag 26-09-2009
Excursie Diersporen
26-09-2008
Nationaal Park Zuid-Kennemerland
Bloemendaal
Verslag: Erik Weenink
Onder de bezielende leiding van Gabriel Bakkum krijgen we onze eerste veldervaringen met diersporen in de duinen rondom het duinmeertje ’t Wed (ingang Koevlak). Nog niet eerder hebben we een rondleiding gehad van iemand die met zo veel enthousiasme wist te vertellen over drollen, keutels en poep. Onze ogen werden geopend.
Gabriel zei dat we geen lange wandelingen hoeven te maken om veel te kunnen zien. Dat blijkt al meteen wanneer we het kleine duinmeertje naderen. We zien vele verschillende afdrukken van diverse Homo Sapiens die al vroeg begonnen zijn met allerlei lichamelijke oefeningen ter bevordering van lichamelijke gezondheid. Maar er blijkt nog veel meer te zijn. Het is fijn dat we het vandaag droog hebben. Maar jammer dat het afgelopen nacht niet heeft geregend, want dan zou er een klein opgedroogd korstje zand aanwezig zijn waarin diersporen uitstekend in kunnen worden afgedrukt. Wel is het zo dat bij warm en zonnig weer die korstjes in de loop van de dag verdwijnen en daarmee vallen de sporen uit elkaar, van vooral de kleine diertjes zoals vogeltjes (vinken), amfibieën (kikkers, padden) en insecten (kevers).
We lopen al snel tegen konijnensporen aan. Die hebben drie kleine afdrukjes in een rechte lijn en een vierde, links naast de voorste afdruk.
Een vossenspoor dient zich aan en al snel blijkt dat die overal te vinden is. Een vossenpoot heeft een kuitje in zijn poot wat een bultje in het zand achterlaat. Er is een zgn “vossenkruis” te tekenen in het spoor (een X). Bij een hond is het meer een (>-<). Dit komt omdat een vossenpoot ovaler is en bij een hond de zijtenen verder uit elkaar staan. Een kronkelend vossenspoor duidt vaak op een zoektocht naar eten. Een recht spoor op het doelgericht ergens naartoe lopen (bv naar huis).
Langs het Wed zijn veel kraaiensporen aanwezig.
Wanneer vogels in een rechte lijn lopen zijn ze vaak op zoek naar water.
Wanneer Vlaamse Gaaien voedsel aan het verzamelen zijn, lopen ze vaak heen en weer in een rechte lijn van de vindplaats (vruchten bv) naar hun verzamelplaats.
In het algemeen zijn vogelsporen extreem moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Meestal tref je, vanuit een middelpunt, drie tenen naar voren aan en een teen loodrecht naar achteren, vanuit dat denkbeeldige middelpunt. Bij een reiger gaat die achterste teen vlak naast dat middelpunt loodrecht naar achteren.
Aboriginals doen heel veel met sporen. Een halve cirkel symboliseert voor hun de mens.
We treffen een sleepspoor aan tussen het potenspoor door loopt. Dit is meestal een staart van bv een eekhoorn. In ons geval is het lastig te zeggen: er lopen misschien twee of meerdere sporen door elkaar heen.
We zien een spoor van een damhert. De rechter en linker poten zitten vlakbij de denkbeeldige middenlijn. We spreken van een gesnoerd spoor.
De duindoorn heeft bessen weet Carla te vertellen. De bessen zijn eetbaar en bevatten heel veel vitamine C maar zijn ook zuur.
We treffen een amfibiespoor aan.
Amfibieën en reptielen bewegen anders. Ze maken rare “flabberspoortjes”.
Een kikker hopt in principe.
Een hagedis laat een sleepspoor achter vanwege zijn staart.
In dit geval is het een pad, herkenbaar aan de streepjes tussen de pootafdrukjes (sleepspoor van de nagels).
Gabriel laat ons een plek zien waar hij vanochtend een groep vinken actief bezig heeft gezien. Vinken hoppen! Geen sleepspoor te zien. Zo te zien waren ze erg ijverig!
Goed kijken levert een keverspoor op. Deze bestaat uit twee rijen van kleine korte schepjes naast elkaar. In de loop van de dag verdwijnen ze door werking van de zon.
We zien runderkeutels. Als het rund ook nog zichtbaar heeft geplast kun je afleiden of het om een mannetje of vrouwtje gaat. Een mannetje plast naar voren en poept naar achteren. Hieruit kun je de positie van de stier op zn moment van toiletteren bepalen. Bij een vrouwtje wordt dat lastiger want die plast en poept allebei naar achteren. Een knappe kop kan dan aan de “hoek van inslag in het zand” de stand van de koe bepalen…
Typisch spoor van een nordic walker: voetstappen, rechte strepen met regelmatig puntjes in het zand aan beide zijden.
We zien gaatjes in een dode boom. Waarschijnlijk van een specht op zoek naar voedsel. Het kunnen ook gaten zijn waar eikels in kunnen worden verstopt (of verstopt zijn geweest). Dat is een heel gedoe voor die specht. Ze zijn dan steeds bezig om te kijken of het past. Gaan ze het weer verplaatsen, opnieuw proberen etc.
Diepe sporen? Dan zijn het veelal hoefgangers. Bv Damhert, ree.
Als het erg diep gaat zie je soms de bijhoeven aan de achterzijde van de poot. Aan de scherpe diepe punt kun je de voorkant van de hoeven herkennen en daarmee de looprichting.
Aan de waterkant zijn veel vogelsporen te verwachten die water komen drinken zoals meeuwen.
We komen een spoor van een ree tegen. Deze is kleiner dan die van een damhert. Aan de voorzijde is ook een punt zichtbaar en de buitenkant van de afdruk is scherp. De achterzijde is minder duidelijk zichtbaar in het zand. Nu zijn geen bijhoeven zichtbaar.
We komen uitgelopen konijnenkeutels tegen.
Gabriel begint over een prachtig boek uit de jaren ’50:
“ The private life of the rabbit”, Lockly.
De tekenfilm “ Waterschapheuvel” is hier voor een groot deel op gebaseerd.
In het zand zien we een lang spoor, met een scheurtje aan de bovenkant. Vakkundig snijdt Gabriel er een plakje uit. Het blijkt een gangetje te zijn van iets als een worm
Gabriel blijkt een enorme passie voor diersporen te hebben en de verhalen volgens elkaar in rap tempo op.
Hij vertelt over mollen in de winter wanneer er sneeuw op de bevroren ondergrond ligt. De mollen kunnen niet meer in de grond graven en gaan hun gangen in de sneeuw graven. Wanneer de sneeuw gaat smelten wordt het graafspoor zichtbaar.
(Wat gaan mollen eigenlijk doen wanneer de grond bevroren is en er ligt geen sneeuw?)
Veel dieren gaan naar het water om te drinken, zoals rund, paard, schaap. Maar niet alle roofdieren gaan naar het water om te drinken: zij zoeken prooidieren.
We vinden een geleiachtige massa aan de waterkant: “sterrenschot”. Dit zijn de onverteerbare eileiders van kikkers/padden die zijn uitgespuwd door reigers. We zien nu inderdaad ook een reigerspoor.
Enthousiast toont Gabriel ons sporen van een marterachtige. Vier tot vijf tenen, in een kransje. Een marterachtige maakt een viersprong: alle vier poten bij elkaar, rug krom, en tijdens de sprong de rug recht. In gedachten zien we het beestje al voorbij springen alsof het een soort dansje uitvoert. Het is nu niet te zeggen welke soort het is. Het onderscheid hangt af van de maten. Foto’s met een liniaal zijn gemaakt.
Veel dieren zijn in de schemering actief.
We komen op een plek langs de waterkant die totaal is platgetrapt, waarschijnlijk gisteravond en/of vanochtend. In de zomer is het vaak een schaapskunne. In dit geval zien we in ieder geval: damhert, ree en vos.
We lopen van het water af richting duinen. We zien een hele mooie keutel!
Er ontstaat hilariteit in de groep onder leiding van een enthousiaste Gabriel.
Het is een versteende drol van een rund!
We zijn nog niet uitgesproken over konijnen. Hier kun je een hele studie van maken. Bijvoorbeeld over het keutelgedrag van konijnen. Dit is erg variërend en er zijn nog veel zaken onduidelijk. Waarschijnlijk speelt territoriumgedrag soms ook een rol.
Bij een afrastering of hek komen vaak sporen uit (wissels). Deze loopt dan verder door langs het hek of anders er onderdoor als het een klein dier betreft.
Vaak kun je hier haren aantreffen met name aan prikkeldraad.
We vinden een dode spitsmuis. We vragen ons af hoe deze is gestorven. Er is geen bloed zichtbaar of sporen van vraat. Misschien een natuurlijke dood? Het diertje is slap, wat de vraag oproept hoe lang het al dood is. Gabriel legt ons kort uit hoe het zit met lijkstijfheid, “ Rigor Mortes”. Een paar uur na de dood treedt de stijfheid op. Maar dit is tijdelijk want na een paar uur wordt het lijk weer slap.
We zien langs een wissel een overhangende tak met wat haar. Het lijkt aan de hoge kant voor een konijn en zelfs een vos. Maar het is heel zacht haar, zijdezacht. Misschien toch een konijn?
We zien aangevreten dennenappels.
Soms denken we dat ze zijn aangevreten maar zijn ze gewoon door ouderdom uiteengevallen. Goed kritisch kijken dus.
Eekhoorns eten de dennenappels in de boom op maar doen dit slordig. De dennenappels worden rafelig.
Muizen hebben kleinere tandjes en eten veel egaler. Zij laten de dennenappels wat netter achter.
Nog napratend over het spoor van de marterachtige, komt de “wezeldans” ter sprake.
Deze beestjes dansen rondom hun prooi die als het ware worden gehypnotiseerd (bv konijnen) totdat ze toeslaan.
Als toegift van deze interessante excursie zijn we met een kleine groep naar het Middenduin gegaan. Dit bevindt zich achter het bezoekerscentrum “de Zandwaaier”.
Dit is een prachtige vallei te midden van bosrijke duinen. De duinen die hier stonden zijn afgegraven om een aantal grachten in Haarlem te dempen. We zijn langs de rand gelopen naar het zwarteveldmeertje. Hoewel het uitzonderlijk schijnt te zijn hebben we de hele wisentenkudde kunnen zien! Een populatie van 8 tot 10 exemplaren waarvan 6 kalveren (4 kleintjes).
Soms kwamen we ook een paar floristische zaken tegen:
Groene ossentong.
Kardinaalsmuts (2-zaadlobbig). Prachtige rode vrucht (niet eetbaar!).
Wilde tijm.
Geel walstro.
Glad parelzaad.
Ik weet zeker dat de meesten van ons met een andere blik naar diersporen kijken dankzij Gabriel!
26-09-2008
Nationaal Park Zuid-Kennemerland
Bloemendaal
Verslag: Erik Weenink
Onder de bezielende leiding van Gabriel Bakkum krijgen we onze eerste veldervaringen met diersporen in de duinen rondom het duinmeertje ’t Wed (ingang Koevlak). Nog niet eerder hebben we een rondleiding gehad van iemand die met zo veel enthousiasme wist te vertellen over drollen, keutels en poep. Onze ogen werden geopend.
Gabriel zei dat we geen lange wandelingen hoeven te maken om veel te kunnen zien. Dat blijkt al meteen wanneer we het kleine duinmeertje naderen. We zien vele verschillende afdrukken van diverse Homo Sapiens die al vroeg begonnen zijn met allerlei lichamelijke oefeningen ter bevordering van lichamelijke gezondheid. Maar er blijkt nog veel meer te zijn. Het is fijn dat we het vandaag droog hebben. Maar jammer dat het afgelopen nacht niet heeft geregend, want dan zou er een klein opgedroogd korstje zand aanwezig zijn waarin diersporen uitstekend in kunnen worden afgedrukt. Wel is het zo dat bij warm en zonnig weer die korstjes in de loop van de dag verdwijnen en daarmee vallen de sporen uit elkaar, van vooral de kleine diertjes zoals vogeltjes (vinken), amfibieën (kikkers, padden) en insecten (kevers).
We lopen al snel tegen konijnensporen aan. Die hebben drie kleine afdrukjes in een rechte lijn en een vierde, links naast de voorste afdruk.
Een vossenspoor dient zich aan en al snel blijkt dat die overal te vinden is. Een vossenpoot heeft een kuitje in zijn poot wat een bultje in het zand achterlaat. Er is een zgn “vossenkruis” te tekenen in het spoor (een X). Bij een hond is het meer een (>-<). Dit komt omdat een vossenpoot ovaler is en bij een hond de zijtenen verder uit elkaar staan. Een kronkelend vossenspoor duidt vaak op een zoektocht naar eten. Een recht spoor op het doelgericht ergens naartoe lopen (bv naar huis).
Langs het Wed zijn veel kraaiensporen aanwezig.
Wanneer vogels in een rechte lijn lopen zijn ze vaak op zoek naar water.
Wanneer Vlaamse Gaaien voedsel aan het verzamelen zijn, lopen ze vaak heen en weer in een rechte lijn van de vindplaats (vruchten bv) naar hun verzamelplaats.
In het algemeen zijn vogelsporen extreem moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Meestal tref je, vanuit een middelpunt, drie tenen naar voren aan en een teen loodrecht naar achteren, vanuit dat denkbeeldige middelpunt. Bij een reiger gaat die achterste teen vlak naast dat middelpunt loodrecht naar achteren.
Aboriginals doen heel veel met sporen. Een halve cirkel symboliseert voor hun de mens.
We treffen een sleepspoor aan tussen het potenspoor door loopt. Dit is meestal een staart van bv een eekhoorn. In ons geval is het lastig te zeggen: er lopen misschien twee of meerdere sporen door elkaar heen.
We zien een spoor van een damhert. De rechter en linker poten zitten vlakbij de denkbeeldige middenlijn. We spreken van een gesnoerd spoor.
De duindoorn heeft bessen weet Carla te vertellen. De bessen zijn eetbaar en bevatten heel veel vitamine C maar zijn ook zuur.
We treffen een amfibiespoor aan.
Amfibieën en reptielen bewegen anders. Ze maken rare “flabberspoortjes”.
Een kikker hopt in principe.
Een hagedis laat een sleepspoor achter vanwege zijn staart.
In dit geval is het een pad, herkenbaar aan de streepjes tussen de pootafdrukjes (sleepspoor van de nagels).
Gabriel laat ons een plek zien waar hij vanochtend een groep vinken actief bezig heeft gezien. Vinken hoppen! Geen sleepspoor te zien. Zo te zien waren ze erg ijverig!
Goed kijken levert een keverspoor op. Deze bestaat uit twee rijen van kleine korte schepjes naast elkaar. In de loop van de dag verdwijnen ze door werking van de zon.
We zien runderkeutels. Als het rund ook nog zichtbaar heeft geplast kun je afleiden of het om een mannetje of vrouwtje gaat. Een mannetje plast naar voren en poept naar achteren. Hieruit kun je de positie van de stier op zn moment van toiletteren bepalen. Bij een vrouwtje wordt dat lastiger want die plast en poept allebei naar achteren. Een knappe kop kan dan aan de “hoek van inslag in het zand” de stand van de koe bepalen…
Typisch spoor van een nordic walker: voetstappen, rechte strepen met regelmatig puntjes in het zand aan beide zijden.
We zien gaatjes in een dode boom. Waarschijnlijk van een specht op zoek naar voedsel. Het kunnen ook gaten zijn waar eikels in kunnen worden verstopt (of verstopt zijn geweest). Dat is een heel gedoe voor die specht. Ze zijn dan steeds bezig om te kijken of het past. Gaan ze het weer verplaatsen, opnieuw proberen etc.
Diepe sporen? Dan zijn het veelal hoefgangers. Bv Damhert, ree.
Als het erg diep gaat zie je soms de bijhoeven aan de achterzijde van de poot. Aan de scherpe diepe punt kun je de voorkant van de hoeven herkennen en daarmee de looprichting.
Aan de waterkant zijn veel vogelsporen te verwachten die water komen drinken zoals meeuwen.
We komen een spoor van een ree tegen. Deze is kleiner dan die van een damhert. Aan de voorzijde is ook een punt zichtbaar en de buitenkant van de afdruk is scherp. De achterzijde is minder duidelijk zichtbaar in het zand. Nu zijn geen bijhoeven zichtbaar.
We komen uitgelopen konijnenkeutels tegen.
Gabriel begint over een prachtig boek uit de jaren ’50:
“ The private life of the rabbit”, Lockly.
De tekenfilm “ Waterschapheuvel” is hier voor een groot deel op gebaseerd.
In het zand zien we een lang spoor, met een scheurtje aan de bovenkant. Vakkundig snijdt Gabriel er een plakje uit. Het blijkt een gangetje te zijn van iets als een worm
Gabriel blijkt een enorme passie voor diersporen te hebben en de verhalen volgens elkaar in rap tempo op.
Hij vertelt over mollen in de winter wanneer er sneeuw op de bevroren ondergrond ligt. De mollen kunnen niet meer in de grond graven en gaan hun gangen in de sneeuw graven. Wanneer de sneeuw gaat smelten wordt het graafspoor zichtbaar.
(Wat gaan mollen eigenlijk doen wanneer de grond bevroren is en er ligt geen sneeuw?)
Veel dieren gaan naar het water om te drinken, zoals rund, paard, schaap. Maar niet alle roofdieren gaan naar het water om te drinken: zij zoeken prooidieren.
We vinden een geleiachtige massa aan de waterkant: “sterrenschot”. Dit zijn de onverteerbare eileiders van kikkers/padden die zijn uitgespuwd door reigers. We zien nu inderdaad ook een reigerspoor.
Enthousiast toont Gabriel ons sporen van een marterachtige. Vier tot vijf tenen, in een kransje. Een marterachtige maakt een viersprong: alle vier poten bij elkaar, rug krom, en tijdens de sprong de rug recht. In gedachten zien we het beestje al voorbij springen alsof het een soort dansje uitvoert. Het is nu niet te zeggen welke soort het is. Het onderscheid hangt af van de maten. Foto’s met een liniaal zijn gemaakt.
Veel dieren zijn in de schemering actief.
We komen op een plek langs de waterkant die totaal is platgetrapt, waarschijnlijk gisteravond en/of vanochtend. In de zomer is het vaak een schaapskunne. In dit geval zien we in ieder geval: damhert, ree en vos.
We lopen van het water af richting duinen. We zien een hele mooie keutel!
Er ontstaat hilariteit in de groep onder leiding van een enthousiaste Gabriel.
Het is een versteende drol van een rund!
We zijn nog niet uitgesproken over konijnen. Hier kun je een hele studie van maken. Bijvoorbeeld over het keutelgedrag van konijnen. Dit is erg variërend en er zijn nog veel zaken onduidelijk. Waarschijnlijk speelt territoriumgedrag soms ook een rol.
Bij een afrastering of hek komen vaak sporen uit (wissels). Deze loopt dan verder door langs het hek of anders er onderdoor als het een klein dier betreft.
Vaak kun je hier haren aantreffen met name aan prikkeldraad.
We vinden een dode spitsmuis. We vragen ons af hoe deze is gestorven. Er is geen bloed zichtbaar of sporen van vraat. Misschien een natuurlijke dood? Het diertje is slap, wat de vraag oproept hoe lang het al dood is. Gabriel legt ons kort uit hoe het zit met lijkstijfheid, “ Rigor Mortes”. Een paar uur na de dood treedt de stijfheid op. Maar dit is tijdelijk want na een paar uur wordt het lijk weer slap.
We zien langs een wissel een overhangende tak met wat haar. Het lijkt aan de hoge kant voor een konijn en zelfs een vos. Maar het is heel zacht haar, zijdezacht. Misschien toch een konijn?
We zien aangevreten dennenappels.
Soms denken we dat ze zijn aangevreten maar zijn ze gewoon door ouderdom uiteengevallen. Goed kritisch kijken dus.
Eekhoorns eten de dennenappels in de boom op maar doen dit slordig. De dennenappels worden rafelig.
Muizen hebben kleinere tandjes en eten veel egaler. Zij laten de dennenappels wat netter achter.
Nog napratend over het spoor van de marterachtige, komt de “wezeldans” ter sprake.
Deze beestjes dansen rondom hun prooi die als het ware worden gehypnotiseerd (bv konijnen) totdat ze toeslaan.
Als toegift van deze interessante excursie zijn we met een kleine groep naar het Middenduin gegaan. Dit bevindt zich achter het bezoekerscentrum “de Zandwaaier”.
Dit is een prachtige vallei te midden van bosrijke duinen. De duinen die hier stonden zijn afgegraven om een aantal grachten in Haarlem te dempen. We zijn langs de rand gelopen naar het zwarteveldmeertje. Hoewel het uitzonderlijk schijnt te zijn hebben we de hele wisentenkudde kunnen zien! Een populatie van 8 tot 10 exemplaren waarvan 6 kalveren (4 kleintjes).
Soms kwamen we ook een paar floristische zaken tegen:
Groene ossentong.
Kardinaalsmuts (2-zaadlobbig). Prachtige rode vrucht (niet eetbaar!).
Wilde tijm.
Geel walstro.
Glad parelzaad.
Ik weet zeker dat de meesten van ons met een andere blik naar diersporen kijken dankzij Gabriel!
maandag 19 oktober 2009
zaterdag 10-10-2009
Verslag excursie Paddenstoelen de Poel / Amsterdamsebos
Datum: 10 oktober 2009
Excursieleider: Henk
We verzamelden bij Silversand. In twee groepen gingen we op pad. Toen we bij de Poel aankwamen viel meteen op dat al het riet gemaaid was. Een heel andere beleving dan tijdens de excursie die we in de lente meemaakten.
Onze groep ging eerst langs de poel en daarna het bos in. We kwamen langs de Poel een Geelwitte Russula tegen die nabij een berk stond. De russula’s hebben grove lamellen. De Geelwitte Russula komt voor op zure tamelijk voedselarme grond en is zeer algemeen. Het is een Mycorrhizavormende paddenstoel die in dit geval in symbiose leefde met de berk. De boomwortels worden door een schimmelmantel omgeven, waardoor uitwisseling van voedingsstoffen plaatsvindt. Ook beschermt de schimmelmantel de boomwortels tegen uitdroging en vergiftiging met zware metalen en met antibiotica tegen aanvallen van parasieten. Henk noemde het een zogenaamde ‘huisapotheek’ van de boom. De paddenstoel en de boom hebben profijt van elkaar en communiceren als het ware met elkaar. De Aardappelbovist stond er in de buurt en leeft ook in symbiose met de berk. In het stukje langs de Poel waren vooral Mycorrhizavormende paddenstoelen (symbionten) aanwezig.
Er ligt weinig dood hout en/of ander dood organisch materiaal langs de Poel, dus is de kans saprofyten tegen te komen ook klein. Saprofyten leven voornamelijk van dood organisch materiaal als plantenresten, dood hout of dierlijke uitwerpselen. Zonder saprotrofe paddenstoelen (en afbraakbacteriën) zou de natuur in zijn eigen afval omkomen. In het bos kwamen we wel saprofyten tegen, zoals de Gewone Zwavelkop. Deze is te herkennen doordat de hoed fel zwavelgeel is. Omdat in de loop van de tijd de hoed verkleurd, kan de soort nog herkend worden aan de aanzet van de hoed: deze blijft geel gekleurd. Dit is bij de Rode zwavelkop niet het geval.
Een zwakte parasiet is de Berkenzwam, een houtzwam met buisjes. De soort komt uitsluitend op berken voor. Ze beginnen vaak op levende berken die al zwak zijn. Maar als de berk dan eenmaal dood gaat (als gevolg van bruinrot die de paddenstoel veroorzaakt) blijft de Berkenzwam er toch op voort leven als een saprofyt. Parasieten leven ten koste van hun gastheer, zoals hier de berk. Ze onttrekken de voedingsstoffen die voor de boom noodzakelijk zijn om te leven. Niet alle parasieten ruimen vervolgens hun eigenhandig gedode boom op door verder te leven als saprofyt. Er komen vaak ook andere soorten paddenstoelen voor die dan het dode hout uiteindelijk opruimen. Je krijgt dan een opeenvolging van soorten paddenstoelen, totdat de boom ‘op’ is.
In het bos roken we op een gegeven moment een echt aaslucht. Net alsof een dood beest in de buurt was. We gingen driftig op zoek en prompt stond er in de buurt de Grote stinkzwam. Hij had zijn sporen al aan de vliegen verloren, want de hoed was wit. Een stinkzwam komt uit een zogenaamd ‘duivelsei’ welke naar anijs ruikt. Vervolgens groeit dit duivelsei binnen enkele uren uit tot een paddenstoel die naar zeer sterke aasgeur ruikt. Hier komen insecten op af die de kleverige donkerolijfgroene massa erg lekker vinden. Met de uitwerpselen van de insecten worden de sporen van de stinkzwam uiteindelijk verspreid.
De Knolhoningzwam groeide volop in het bos, we kwamen hem overal tegen. Deze soort is in tegenstelling tot zijn parasitaire broertjes, een saprofyt. De soort groeit meestal in bundels op hout.
Ik las dat de grijze gaatjeszwam het hout afbreekt door middel van organohalogenen (gechloreerde koolwaterstoffen, PAK’s) en chloorfenolen, die zij zelf produceert. Deze zelfde eigenschap hebben ook de Zwavelkoppen (Psilocybe) en de Mycena's. Vandaar dat ze naar chloor ruiken.
In het bos was de meeste variëteit aan paddenstoelen. Uiteindelijk hebben we meer dan 50 soorten gezien (zie lijst hieronder). De meeste paddenstoelen die we gezien hebben zijn opruimers (saprofiet). Ook mycorrhiza-vormende paddenstoelen waren er veel. Parasieten hebben we veel minder waargenomen.
Nederlandse naam Groep Levenswijze Opmerkingen
1 Geelwitte russula Russula’s Mycorrhiza
2 Aardappelbovist spp. Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza
3 Rimpelende melkzwam Melkzwam (Lactarius)Mycorrhiza
4 Berke ridderzwam Ridderzwam Mycorrhiza
5 Kleine berkenrussula Russula Mycorrhiza Variabele hoedkleur.
6 Berkenboleet Ruigsteelboleet Mycorrhiza
7 Berkenzwam Zwakte parasiet Uitsluitend op berken
8 Braakrussula Mycorrhiza Grote lamellen
9 Viltige maggizwam Melkzwam Mycorrhiza Ruikt naar maggi
10 Donzige melkzwam Melkzwam Mycorrhiza
11 Gele berkenrussula Russula Mycorrhiza
12 Bundel mycena Mycena Saprofyt Chloorgeur
13 Citroenschijfje? Niet in literatuur te vinden.
Geel klein schijfje op dood hout.
14 Stijfselzwammetje Trilzwam Saprofyt op hout
geleiachtige trilzwam lijkt op kloddertjes stijfsel
15 Langsteel franjehoed Franjehoed Saprofyt
Lamellen zijn dieppaars/zwart, voornamelijk op houtsnippers
16 Oranje aderzwam Saprofyt Veroorzaakt witrot
17 Satijnzwam spp. Satijnzwam Saprofyt of mycorrhiza Veelal giftig
18 Gewone zwavelkop Aanzet van de hoed is geel
19 Grote stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
20 Kleine stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
21 Kale inktzwam Saprofyt
22 Oorzwammetje spp. Oorzwammetje Saprofyt Voedselrijke omgeving
23 Grauwgroene hertenzwam Hertenzwam Saprofyt
Lamellen vrij, heeft roze sporen!
24 Fopzwam spp. Fopzwam (Laccaria) Mycorrizha Vaak bij jonge bomen
25 Vaalhoed spp. Vaalhoeden Mycorrizha
Lamellen aangehecht, heeft aardappelgeur en hoed iets kleverig
26 Beukenblad mycena Zit op beukenblad
27 Roestbruine kogelzwam Kogelzwam Saprofyt of parasiet op hout
Vooral op beuken
28 Roze knoopzwam Saprofyt
Op dode stammen of takken van met name beuken
29 Gekraagd mosklokje Mosklokje Saprofyt Lamellen aangehecht
30 Helmmycena Mycena Saprofyt
Dwarsschotjes tussen lamellen (met loepje kijken)
31 Kaaszwam spp. Kaaszwam Parasiet en saprofyt sponzig
32 Knolhoningzwam HoningzwamMeestal parasitair, maar deze soort is een saprofyt Heeft rommelige lamellen
33 Pracht mycena Mycena Saprofyt
Op mossige takken en op bladstrooisel (beuk) in loofbossen op klei. Rode lijst.
34 Gewimperde aardster Aardster Saprofyt
In loof- en naaldbos, vnl op strooisellaag.
35 Gewone hertenzwam Hertenzwam Saprofyt Mooie lamellen
36 Bloedsteel mycena Mycena Saprofyt
Na breken steeltje, bloedrood melksap
37 Geweizwammetjes Xylaria Saprofyt
Vruchtlichaam gewei-achtig vertakt.
38 Wortelende aardappelbovistScleroderma Mycorrizha
Alle aardappelbovisten zijn giftig. Vaak op voedselrijke gestoorde bodem
39 Platte donderzwam Ganoderma Parasiet en saprofyt
Gallen zaten onder de hoed.
40 Glazige buisjeszwam Physisporinus Saprofyt Wasachtig korstvormig, onaangename geur op stronken (beuk, berk), soms over de (bos)bodem uitbreidend
41 Beukwortelzwam Wortelzwam Saprofyt, (mogelijk parasitair)
Aan de stamvoet of op wortels van beuken, meestal op enige afstand van de boom.
42 Gewoon elfenbankje Elfenbankje Saprofyt Wit van onderen
43 Grijze gaatjeszwam Wrijven wordt donker, rooklucht
44 Houtknotszwam (ook ‘dodemansvingers’) Xylaria Saprofyt
Zwarte vingers, van binnen wit. Vnl op dood hout beuk en eik
45 Scherpe collybia Collybia saprofyt
Herkenbaar aan ver uiteenstaande, vrij donkere lamellen. Scherpe smaak.
46 Eikenbladzwammetje Collybia Saprofyt
47 Peksteel Polyporus Saprofyt, minder vaak parasiet.
48 Breedplaatstreephoed Megacollybia Saprofyt
Erg lange dikke draden naar zwamvlok
49 Reuzezwam Meripilus giganteus Parasiet Veroorzaakt witrot
50 Krulzoom spp. Krulzoom Saprofyt of mycorrhiza Hoedrand ingerold
51 Wortelende aardappelbovist Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza Alle soorten giftig
Het was een hele leuke en leerzame excursie!
Wijnanda Hulsegge
Datum: 10 oktober 2009
Excursieleider: Henk
We verzamelden bij Silversand. In twee groepen gingen we op pad. Toen we bij de Poel aankwamen viel meteen op dat al het riet gemaaid was. Een heel andere beleving dan tijdens de excursie die we in de lente meemaakten.
Onze groep ging eerst langs de poel en daarna het bos in. We kwamen langs de Poel een Geelwitte Russula tegen die nabij een berk stond. De russula’s hebben grove lamellen. De Geelwitte Russula komt voor op zure tamelijk voedselarme grond en is zeer algemeen. Het is een Mycorrhizavormende paddenstoel die in dit geval in symbiose leefde met de berk. De boomwortels worden door een schimmelmantel omgeven, waardoor uitwisseling van voedingsstoffen plaatsvindt. Ook beschermt de schimmelmantel de boomwortels tegen uitdroging en vergiftiging met zware metalen en met antibiotica tegen aanvallen van parasieten. Henk noemde het een zogenaamde ‘huisapotheek’ van de boom. De paddenstoel en de boom hebben profijt van elkaar en communiceren als het ware met elkaar. De Aardappelbovist stond er in de buurt en leeft ook in symbiose met de berk. In het stukje langs de Poel waren vooral Mycorrhizavormende paddenstoelen (symbionten) aanwezig.
Er ligt weinig dood hout en/of ander dood organisch materiaal langs de Poel, dus is de kans saprofyten tegen te komen ook klein. Saprofyten leven voornamelijk van dood organisch materiaal als plantenresten, dood hout of dierlijke uitwerpselen. Zonder saprotrofe paddenstoelen (en afbraakbacteriën) zou de natuur in zijn eigen afval omkomen. In het bos kwamen we wel saprofyten tegen, zoals de Gewone Zwavelkop. Deze is te herkennen doordat de hoed fel zwavelgeel is. Omdat in de loop van de tijd de hoed verkleurd, kan de soort nog herkend worden aan de aanzet van de hoed: deze blijft geel gekleurd. Dit is bij de Rode zwavelkop niet het geval.
Een zwakte parasiet is de Berkenzwam, een houtzwam met buisjes. De soort komt uitsluitend op berken voor. Ze beginnen vaak op levende berken die al zwak zijn. Maar als de berk dan eenmaal dood gaat (als gevolg van bruinrot die de paddenstoel veroorzaakt) blijft de Berkenzwam er toch op voort leven als een saprofyt. Parasieten leven ten koste van hun gastheer, zoals hier de berk. Ze onttrekken de voedingsstoffen die voor de boom noodzakelijk zijn om te leven. Niet alle parasieten ruimen vervolgens hun eigenhandig gedode boom op door verder te leven als saprofyt. Er komen vaak ook andere soorten paddenstoelen voor die dan het dode hout uiteindelijk opruimen. Je krijgt dan een opeenvolging van soorten paddenstoelen, totdat de boom ‘op’ is.
In het bos roken we op een gegeven moment een echt aaslucht. Net alsof een dood beest in de buurt was. We gingen driftig op zoek en prompt stond er in de buurt de Grote stinkzwam. Hij had zijn sporen al aan de vliegen verloren, want de hoed was wit. Een stinkzwam komt uit een zogenaamd ‘duivelsei’ welke naar anijs ruikt. Vervolgens groeit dit duivelsei binnen enkele uren uit tot een paddenstoel die naar zeer sterke aasgeur ruikt. Hier komen insecten op af die de kleverige donkerolijfgroene massa erg lekker vinden. Met de uitwerpselen van de insecten worden de sporen van de stinkzwam uiteindelijk verspreid.
De Knolhoningzwam groeide volop in het bos, we kwamen hem overal tegen. Deze soort is in tegenstelling tot zijn parasitaire broertjes, een saprofyt. De soort groeit meestal in bundels op hout.
Ik las dat de grijze gaatjeszwam het hout afbreekt door middel van organohalogenen (gechloreerde koolwaterstoffen, PAK’s) en chloorfenolen, die zij zelf produceert. Deze zelfde eigenschap hebben ook de Zwavelkoppen (Psilocybe) en de Mycena's. Vandaar dat ze naar chloor ruiken.
In het bos was de meeste variëteit aan paddenstoelen. Uiteindelijk hebben we meer dan 50 soorten gezien (zie lijst hieronder). De meeste paddenstoelen die we gezien hebben zijn opruimers (saprofiet). Ook mycorrhiza-vormende paddenstoelen waren er veel. Parasieten hebben we veel minder waargenomen.
Nederlandse naam Groep Levenswijze Opmerkingen
1 Geelwitte russula Russula’s Mycorrhiza
2 Aardappelbovist spp. Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza
3 Rimpelende melkzwam Melkzwam (Lactarius)Mycorrhiza
4 Berke ridderzwam Ridderzwam Mycorrhiza
5 Kleine berkenrussula Russula Mycorrhiza Variabele hoedkleur.
6 Berkenboleet Ruigsteelboleet Mycorrhiza
7 Berkenzwam Zwakte parasiet Uitsluitend op berken
8 Braakrussula Mycorrhiza Grote lamellen
9 Viltige maggizwam Melkzwam Mycorrhiza Ruikt naar maggi
10 Donzige melkzwam Melkzwam Mycorrhiza
11 Gele berkenrussula Russula Mycorrhiza
12 Bundel mycena Mycena Saprofyt Chloorgeur
13 Citroenschijfje? Niet in literatuur te vinden.
Geel klein schijfje op dood hout.
14 Stijfselzwammetje Trilzwam Saprofyt op hout
geleiachtige trilzwam lijkt op kloddertjes stijfsel
15 Langsteel franjehoed Franjehoed Saprofyt
Lamellen zijn dieppaars/zwart, voornamelijk op houtsnippers
16 Oranje aderzwam Saprofyt Veroorzaakt witrot
17 Satijnzwam spp. Satijnzwam Saprofyt of mycorrhiza Veelal giftig
18 Gewone zwavelkop Aanzet van de hoed is geel
19 Grote stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
20 Kleine stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
21 Kale inktzwam Saprofyt
22 Oorzwammetje spp. Oorzwammetje Saprofyt Voedselrijke omgeving
23 Grauwgroene hertenzwam Hertenzwam Saprofyt
Lamellen vrij, heeft roze sporen!
24 Fopzwam spp. Fopzwam (Laccaria) Mycorrizha Vaak bij jonge bomen
25 Vaalhoed spp. Vaalhoeden Mycorrizha
Lamellen aangehecht, heeft aardappelgeur en hoed iets kleverig
26 Beukenblad mycena Zit op beukenblad
27 Roestbruine kogelzwam Kogelzwam Saprofyt of parasiet op hout
Vooral op beuken
28 Roze knoopzwam Saprofyt
Op dode stammen of takken van met name beuken
29 Gekraagd mosklokje Mosklokje Saprofyt Lamellen aangehecht
30 Helmmycena Mycena Saprofyt
Dwarsschotjes tussen lamellen (met loepje kijken)
31 Kaaszwam spp. Kaaszwam Parasiet en saprofyt sponzig
32 Knolhoningzwam HoningzwamMeestal parasitair, maar deze soort is een saprofyt Heeft rommelige lamellen
33 Pracht mycena Mycena Saprofyt
Op mossige takken en op bladstrooisel (beuk) in loofbossen op klei. Rode lijst.
34 Gewimperde aardster Aardster Saprofyt
In loof- en naaldbos, vnl op strooisellaag.
35 Gewone hertenzwam Hertenzwam Saprofyt Mooie lamellen
36 Bloedsteel mycena Mycena Saprofyt
Na breken steeltje, bloedrood melksap
37 Geweizwammetjes Xylaria Saprofyt
Vruchtlichaam gewei-achtig vertakt.
38 Wortelende aardappelbovistScleroderma Mycorrizha
Alle aardappelbovisten zijn giftig. Vaak op voedselrijke gestoorde bodem
39 Platte donderzwam Ganoderma Parasiet en saprofyt
Gallen zaten onder de hoed.
40 Glazige buisjeszwam Physisporinus Saprofyt Wasachtig korstvormig, onaangename geur op stronken (beuk, berk), soms over de (bos)bodem uitbreidend
41 Beukwortelzwam Wortelzwam Saprofyt, (mogelijk parasitair)
Aan de stamvoet of op wortels van beuken, meestal op enige afstand van de boom.
42 Gewoon elfenbankje Elfenbankje Saprofyt Wit van onderen
43 Grijze gaatjeszwam Wrijven wordt donker, rooklucht
44 Houtknotszwam (ook ‘dodemansvingers’) Xylaria Saprofyt
Zwarte vingers, van binnen wit. Vnl op dood hout beuk en eik
45 Scherpe collybia Collybia saprofyt
Herkenbaar aan ver uiteenstaande, vrij donkere lamellen. Scherpe smaak.
46 Eikenbladzwammetje Collybia Saprofyt
47 Peksteel Polyporus Saprofyt, minder vaak parasiet.
48 Breedplaatstreephoed Megacollybia Saprofyt
Erg lange dikke draden naar zwamvlok
49 Reuzezwam Meripilus giganteus Parasiet Veroorzaakt witrot
50 Krulzoom spp. Krulzoom Saprofyt of mycorrhiza Hoedrand ingerold
51 Wortelende aardappelbovist Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza Alle soorten giftig
Het was een hele leuke en leerzame excursie!
Wijnanda Hulsegge
Abonneren op:
Posts (Atom)