EXCURSIE 24 APRIL 2010
Verslag van Ron Hamming
Het was vandaag de bedoeling, dat ……en Renske Hesselmann ons een rondleiding over de Kwekerij bij de Braak zouden geven. Renske moest het echter alleen doen, omdat………….. verhinderd was. Gelukkig had Anthonie de sleutel bij zich.
We kwamen voorlopig echter niet aan de kwekerij toe. Renske stelde ons de gewetensvraag wat een plant voor ons betekent. Omdat de antwoorden nogal aarzelend kwamen, gaf ze enkele voorzetten. Planten leveren ons voedsel, kleding, verwarming etc. Ze stelde, dat leven op aarde niet mogelijk was en wij er zonder hen niet zouden zijn. Jeanine: “…niet in deze vorm…” Dan stelt Renske de vraag waar planten vandaan komen. Oorspronkelijk zoals alle leven uit het water, waarna ze in de loop van de evolutie het land bezetten. Renske wil er echter niet te diep op ingaan. Ze heeft een en ander op papier gezet, zodat we het achteraf kunnen nalezen.
Ze gaat in op de ontstaansgeschiedenis in het park en komt hier gedurende de hele excursie op terug.
Rond 1600 ontstond er door een doorbraak vanuit het Nieuwe Meer een veenplas. Het is eeuwenlang een moerasgebied gebleven. Toen de gemeente besloot, het gebied te bebouwen, wilde men het tot een wandelpark omvormen. Men gaf de tuinarchitect Broerse opdracht om dit park te ontwikkelen. Deze had echter opvattingen over groenvoorzieningen die enigszins afweken van de toen heersende mode. Hij moest ook werken met de omstandigheden zoals hij die aantrof. De Engelse landschapsstijl met cultivars en exoten was hier niet goed toepasbaar. De grondsoort (veen) was op zichzelf niet geschikt en veel te nat. Hij vond ook dat rekening met de historie van het gebied moest worden gehouden en het park daarom een natuurlijk karakter moest krijgen. Grote delen van het park, met hun rietoevers en aangelegde rietkraggen, werden min of meer in hun oude staat bewaard. De plas werd uitgebaggerd en de ongeveer 10 kubieke meter bagger werd gebruikt om het land op te hogen. Met boomstammetjes werden paden aangelegd. Als men erover loopt veert de grond nog steeds een beetje, want het blijft een zachte ondergrond. Deze bovengenoemde werkzaamheden werden in de oorlogsjaren handmatig verricht.
Er rezen echter problemen met de beplanting. Broerse wilde b.v. berken en elzen laten planten, maar de elders gekweekte bomen sloegen niet aan. De natuur laat zich niet dwingen. Broerse wilde ook eigenlijk liever wilde planten. Onder leiding van Koos Landwehr zijn door het hele land zaden en stekken verzameld. Met dit uitgangsmateriaal begon men op de nieuwe kwekerij plantmateriaal voor het park te kweken. Men moest echter lange tijd met grondsoor-ten en plantmateriaal experimenteren om de plantensoorten aan de lokale bodemomstandig-heden te laten wennen.
Na Renskes inleiding begeven we ons op het pad richting de kwekerij. We blijven echter zo vaak bij de begroeiing rond het pad stilstaan dat we deze voorlopig niet bereiken. We treffen o.a. dotterbloemen, enkele pinksterbloemen, bosanenemonen, verschillende soorten dove-netel, gevlekte aronskelken, witte klaverzuring, blauwe knoop (rozetten), moeslook, eenbes, (amandel)wolfsmelk, kievitsbloemenvarens (stekelvaren, moerasvaren?), zeggen (3-kantige stengel!), mossen en korstmossen aan. Door het hele park treft men hier en daar orchideeensoorten aan (gevlekte orchis, rietorchis, wespenorchis?).
Verder kleine bomen en struiken als wilgen, berken, krentenboompjes en gagel. Bij sommige houtige gewassen gaat Renske dieper op de zaken in. Rond de wortels van de wilgen vindt men veel maartse viooltjes. Dit plantje, dat geen bladeren heeft, is voor zijn voedsel afhankelijk van ondermeer wilgen en berken en parasiteert op de wortels. Zij berokkenen hun gastheer echter geen schade, omdat ze deze a.h.w. enkel gebruiken om op te bloeien en zaad te vormen en weer wegkwijnen tegen de tijd dat de gastheer zelf in bloei komt en aan zaadvorming begint. Volgens verschillende mensen zijn er wel meer maartse viooltjes dan vorig jaar. Renske houdt verder een kort verhaal over de gagel, dat voor de tijd dat hop werd toegevoegd werd gebruikt om meer smaak aan bier te geven. Bij veelvuldig gebruik is gagel echter giftig, zodat men uiteindelijk is gestopt met de toevoeging ervan aan bier.
Renske gaat tussendoor in op allerlei verdedigingsmechanismen die planten gebruiken om vraat tegen te gaan. Daar ze niet zoals dieren kunnen vluchten, hebben ze b.v. stekels, netels of giftige stoffen. Ook gallen zijn een soort verdediging tegen insecten, waarbij de larve van het insect eigenlijk wordt geisoleerd zodat hij de plant verder niet kan schaden.
We komen eindelijk bij de kwekerij aan. De deelnemers van de excursie verspreiden zich al snel over het terrein. Renske en Anthonie geven voor een aantal mensen uitleg bij de eerste bakken bij het hek met lavendel- en dopheidestekjes. Vroeger plantte men deze op open grond, maar men is hiervan teruggekomen: bij grote stukken zwarte grond is het voor het publiek is niet duidelijk dat het om beplanting gaat, men ziet het vaak voor “onkruid” aan. Bovendien is er veel verlies. Daarom laat men de stekjes tegenwoordig anderhalf jaar opkweken bij een kwekerij in de Flevopolder, waarna men de opgekweekte planten, die dan aanzienlijk groter zijn, ter plekke plant. Het groen “kleedt” dan voor het oog meer. Voor 100 vierkante meter heeft men b.v. 5000 stekjes nodig.
De prijs van het opkweken valt overigens mee, omdat de betreffende kwekerij volgens Anthonie niet direct een sociale werkplaats is, maar het personeel grotendeels uit (licht) gehandicapten bestaat die dit soort werkzaamheden als dagactiviteit uitvoeren.
We verzamelen ons rond enkele rijen met grote ronde kweekbakken van steen, waarin a.h.w. landschapstypen in oplopende stadia van verlanding worden nagebootst. We blijven hier uitgebreid bij staan en verdiepen ons in de plantjes. Pas in latere stadia komen hogere, zaadvormende planten (b.v. zeggen en grassen, dophei, dotterbloem, kievitsbloem) aan de orde. Verschillende deelnemers blijven lang studeren aan allerlei soorten mossen en korstmossen. Ook de wolfsklauw, een sporenplant, wekt interesse.
De deelnemers hebben zich inmiddels over het hele terrein verspreid. De schrijver blijft min of meer in de buurt van Renske en Anthonie, maar zijn aandacht wordt vooral getrokken door een “rotstuin”, bestaande uit stapels tegels/ dakpannen van leisteen (?), waarop zich verschillende sedumsoorten en andere rotsplanten hebben gehecht. Daarna loopt hij door naar enkele bekistingen met kweekplanten, waarover zwart gaas is aangebracht, tegen de vogels, maar ook om deze schaduwminnende kweekplanten tegen de zon te beschermen.
Inmiddels is Leo aangekomen, met een stevige kiespijn. Hij verzorgt de eerste groepsactiviteit voor vandaag. Op een gegeven moment komen alle deelnemers samen bij het hek van de kwekerij en gaat naar het bankje bij de eerste brug. Hij deelt tassen van Waternet uit met grote spiegels, opschrijfboekjes en pennen. Er moeten groepjes van twee worden gevormd. Deze lopen via de twee bruggetjes over het pad. De ene houdt de spiegel b.v. op buikhoogte naar boven en vertelt de ander wat hij boven zich via de spiegel waarneemt. Deze noteert het in zijn opschrijfboekje. Na 10 minuten wisselen de twee mensen van het groepje, na het fluitje van Leo. Nu wordt de spiegel echter boven het hoofd gehouden en geeft de ander aan de ene door wat hij via de spiegel onder zich ziet. Ook dit wordt genoteerd, waarna alle spullen (waaronder de boekjes, die Leo voor zijn verslag zal gebruiken) aan Leo wordt geretourneerd.
Na afloop vindt er een korte evaluatie plaats. De algemene conclusie is (volgens de schrijver) dat de grondidee aardig is, maar dat er op deze wijze veiligheidsproblemen kunnen ontstaan als men, zoals de bedoeling is, deze activiteit voor kinderen organiseert. De kinderen lopen rond met een grote spiegel en kunnen een keer struikelen. Daarom heeft Leo het ook zo georganiseerd dat er altijd iemand naast degene met de spiegel moet lopen om hem/ haar zonodig te waarschuwen, maar het blijft een aandachtspunt. Het de bedoeling dat de spiegel in een houten lijst worden gevat, zodat de spiegel veiliger en voor de kinderen beter hanteerbaar is. Leo is hier echter door een te korte voorbereidingstijd nog niet aan toegekomen.
De waarnemingen via de naar boven gerichte spiegel worden als geslaagd ervaren. Men zet echter wel vraagtekens naar de zin van een naar onder gerichte spiegel, daar de deelnemers aan de activiteit ook zonder spiegel naar de grond of op ooghoogte kunnen kijken. Een bijkomend probleem is, dat verschillende mensen met de spiegel boven zich gedesorienteerd raken. Ook het gewicht van de spiegels kan voor kinderen een probleem vormen. Leo zal verder nadenken over aanpassingen van de uitvoering van de activiteit.
Inmiddels is Alex aangekomen, in vol ornaat. We verzamelen ons op het tweede bruggetje, waarop hij ons het een en ander zal vertellen over de visstand in deze wateren. Het behoort tot het z.g. snoek/ ruisvoorn type (met verder de aanwezigheid van de modderkruiper en naar verluidt ook de karper); de waterkwaliteit is redelijk. De diepte is ongeveer 80 cm, met een laag bagger van een meter. Er moet dan ook volgens Anthonie een keer worden gebaggerd.
Er wordt dieper ingegaan op de snoek. Deze houdt zich vaak schuil tussen de oeverbegroei-ing, onder holle kanten en overhangende takken. Ook aan de kop van kruisende waterwegen komt men hem wel tegen. Hij jaagt vanuit de begroeiing op voorbijkomende prooien, waaronder jong broed dat zich tussen de oeverplanten ophoudt. Daarbij eet de snoek ook jonge exemplaren van de eigen soort. In andere delen van de plas vindt men waterplanten als gedoornd hoornblad en waterpest.
Men komt over de winter te spreken, toen het wekenlang vroor. Zolang er voldoende licht in het water valt is een laag ijs niet zo’n probleem voor het onderwaterleven, maar deze ont-stonden toen er herhaaldelijk een laag sneeuw viel. Hierdoor drong het daglicht niet door tot in het water, waardoor de fotosynthese stilviel en er te weinig zuurstof werd geproduceerd. Er zijn dan ook veel vissen doodgegaan. Er moesten in het gehele Amsterdamse Bos ruim 1800 dode karpers worden verwijderd. Zelfs de aal heeft de winterse omstandigheden meestal niet overleefd.
In principe grijpen de beheerders van de Braak niet in de natuur in. Onder deze omstandig-heden besloten ze echter een grote wak bij het bruggetje aan te brengen, zodat de vogels (reigers, visdiefjes, ijsvogels) bij hun voedsel konden. Het vroor echter zo streng en langdurig, dat het wak binnen afzienbare tijd grotendeels dichtvroor. Alleen de grotere vogels hielden het nog enigszins open.
Na het verhaal van Alex is de excursie eigenlijk afgelopen, maar op voorstel van Anthonie besluiten we dit keer door te lopen naar de z.g. “Doorbraak”, waar we bij vorige excursies niet aan toegekomen zijn. Het park dat we tegenwoordig “De Braak” noemen en dat in de oorlogsjaren aangelegd werd, werd aan het eind van de oorlog met een stuk uitgebreid, dat een ander karakter heeft, alleen al omdat Broerse hier wel exoten heeft laten planten.
Posts tonen met het label De Braak. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Braak. Alle posts tonen
maandag 3 mei 2010
donderdag 18 maart 2010
zaterdag 13 maart
De Braak
Za 13 mrt - Joanne
Bij aankomst begroet door een Vlaamse gaai, die we tegenwoordig niet meer Vlaams mogen noemen.
Carla had een teleurstellende mededeling: de rondleidster uit de vogelwerkgroep kon wegens ziekte niet aanwezig zijn.
Gelukkig hadden daardoor GertJan, Hannie en Ida alle tijd voor hun interessante 20 min excursies.
En Jaap was de paashaas al tegen gekomen wat de pijn ook verzachtte.
De Braak
De plas in de Braak is ooit ontstaan door een dijkdoorbraak. Het water van de plas was ooit troebel wat niet bevorderlijk was voor vissen en waterplanten, daarom is de plas later uitgebaggerd, met de bagger konden paden worden opgehoogd. In 1939 werd hier het oudste heempark van Amstelveen aangelegd, als gevolg van de toegenomen aandacht voor inheemse planten, er werd volop gekweekt en ook een kruidentuin werd aangelegd. Riet en schermbloemen voelen zich er thuis. Maar tijdens de rondgang kwamen we ook winterheide tegen, longkruid, gagel, hortensia, petunia, berk
Bomen als middel tegen ziektes - Hannie
De boom bestaat uit blad, bast en wortel en deze kunnen allen een heilzame werking hebben. De plek waar een boom groeit is vaak een indicatie voor het middel. Zo staat een wilg aan het water en is daarom te gebruiken bij malaria (een typische muggenziekte). De kardinaalsmuts kan als wapen worden ingezet tegen hoofdluis. De giftige zaden moeten fijngemalen worden en als papje op het hoofd worden gesmeerd. Van het hout worden trouwens tandenstokers gemaakt.Ook de berk heeft helende kracht. In het voorjaar heeft de boom een imposante sapvloei, de wortels slurpen per dag zo’n 400 liter water en transporteren dat omhoog. Met een snede in de bast kan makkelijk 1,5 liter worden afgetapt en je bent verzekerd van eeuwige jeugd. Ook aan te bevelen als bestrijder van haaruitval. En het drinken van het berkensap kan extra aangenaam worden als je er volgens beproefd recept wijn van maakt. Door de sapvloei van bomen in het voorjaar is het niet aan te raden om in het voorjaar te snoeien. De berkenwortel werd vroeger in de scheepsbouw toegepast als conservering, zgn. berkenteer. Carla wijst ons op het verschil tussen de ruwe en de zachte berk, de ruwe berk heeft de mooie neerhangende takken.
De bast van de wilg bevat saliszuur, goed tegen reumatische pijnen. In aspirine zit hetzelfde zuur, aspirine wordt sneller door het lichaam opgenomen maar wie op een stukje berkenbast kauwt houdt de pijn langer op afstand. De wortels van de wilg houden de slootkant vast. Getrokken in de thee werkt het tegen depressie en koorts.
Gagel kan gebruikt worden in de linnenkast tegen vlooien en motten.
Het hout van de els is hard en wordt in water nog harder, daarom is het veel gebruikt voor het onderpalen van de stad Amsterdam. Elzenblad in je schoen helpt tegen vermoeidheid, fijngemalen elzenblad doet sproeten verdwijnen.
De tak van de hulst vergroot de mannelijkheid, Brigit merkt fijntjes op dat voor een optimale werking de hulstblaadjes waarschijnlijk in het ondergoed moet worden meegedragen. Ook JP Thijsse dronk graag thee getrokken van hulsthout lezen we in zijn biografie. Ook een aardig weetje is dat bij een hoog opgegroeide hulst de blaadjes boven in geen stekels meer hebben, de stekels zijn alleen van nut om bij de grondse vijanden op afstand te houden.
Er komen 2 andere bomen ter sprake: de spindletree waar tollen om wol op te spinnen van werden gemaakt. Ebbenhout met de 2 kleurige kurklijsten in de lengte van de tak wordt gebruikt voor vioolstrijkstokken.
Gert Jan stuurde ons op pad met een opdrachtenlijstje over het zintuiglijk waarnemen van het voorjaar. Aan de hand van vogelgeluid, gagelgeur, opkomende primula, én paaseitjes kwamen sommigen tot minstens 16 waarnemingen.
Over de vogel eieren kan worden opgemerkt dat de meileggers wel laatkomers zijn, de bosuil begint al in februari met leggen en de meeste vogels volgen in maart. Roodborstjes bij wie zowel de mannetjes als de vrouwtjes agressief hun territorium veiligstellen krijgen hiermee een probleem bij het paren, als het mannetje zich opstel als een jonkie dan wil het vrouwtje hem in haar territorium dulden.
Ondertussen doen waggelende eenden zich tegoed aan het restje overgebleven cranberry’s. De halsbandparkieten hebben zich in een boom meester gemaakt van een nest in een holte in de stam. En achter de lavendelhei bloeit de pas aangeplante winterhei.
Ida heeft ons wijzer gemaakt in de wereld van de varens. Ze begon met een leuke wetenswaardigheid dat varens niet van warmte houden en dat de oplettende kijker met deze informatie het verschil tussen een protestante en een katholieke kerk kunnen zien, De katholieken stoken door de week dus bekeren de varens zich liever tot het protestantisme.
Naast dat de varen al heel oud is bestaan er allerlei variëteiten waarvan Ida voorbeelden heeft meegenomen.
Za 13 mrt - Joanne
Bij aankomst begroet door een Vlaamse gaai, die we tegenwoordig niet meer Vlaams mogen noemen.
Carla had een teleurstellende mededeling: de rondleidster uit de vogelwerkgroep kon wegens ziekte niet aanwezig zijn.
Gelukkig hadden daardoor GertJan, Hannie en Ida alle tijd voor hun interessante 20 min excursies.
En Jaap was de paashaas al tegen gekomen wat de pijn ook verzachtte.
De Braak
De plas in de Braak is ooit ontstaan door een dijkdoorbraak. Het water van de plas was ooit troebel wat niet bevorderlijk was voor vissen en waterplanten, daarom is de plas later uitgebaggerd, met de bagger konden paden worden opgehoogd. In 1939 werd hier het oudste heempark van Amstelveen aangelegd, als gevolg van de toegenomen aandacht voor inheemse planten, er werd volop gekweekt en ook een kruidentuin werd aangelegd. Riet en schermbloemen voelen zich er thuis. Maar tijdens de rondgang kwamen we ook winterheide tegen, longkruid, gagel, hortensia, petunia, berk
Bomen als middel tegen ziektes - Hannie
De boom bestaat uit blad, bast en wortel en deze kunnen allen een heilzame werking hebben. De plek waar een boom groeit is vaak een indicatie voor het middel. Zo staat een wilg aan het water en is daarom te gebruiken bij malaria (een typische muggenziekte). De kardinaalsmuts kan als wapen worden ingezet tegen hoofdluis. De giftige zaden moeten fijngemalen worden en als papje op het hoofd worden gesmeerd. Van het hout worden trouwens tandenstokers gemaakt.Ook de berk heeft helende kracht. In het voorjaar heeft de boom een imposante sapvloei, de wortels slurpen per dag zo’n 400 liter water en transporteren dat omhoog. Met een snede in de bast kan makkelijk 1,5 liter worden afgetapt en je bent verzekerd van eeuwige jeugd. Ook aan te bevelen als bestrijder van haaruitval. En het drinken van het berkensap kan extra aangenaam worden als je er volgens beproefd recept wijn van maakt. Door de sapvloei van bomen in het voorjaar is het niet aan te raden om in het voorjaar te snoeien. De berkenwortel werd vroeger in de scheepsbouw toegepast als conservering, zgn. berkenteer. Carla wijst ons op het verschil tussen de ruwe en de zachte berk, de ruwe berk heeft de mooie neerhangende takken.
De bast van de wilg bevat saliszuur, goed tegen reumatische pijnen. In aspirine zit hetzelfde zuur, aspirine wordt sneller door het lichaam opgenomen maar wie op een stukje berkenbast kauwt houdt de pijn langer op afstand. De wortels van de wilg houden de slootkant vast. Getrokken in de thee werkt het tegen depressie en koorts.
Gagel kan gebruikt worden in de linnenkast tegen vlooien en motten.
Het hout van de els is hard en wordt in water nog harder, daarom is het veel gebruikt voor het onderpalen van de stad Amsterdam. Elzenblad in je schoen helpt tegen vermoeidheid, fijngemalen elzenblad doet sproeten verdwijnen.
De tak van de hulst vergroot de mannelijkheid, Brigit merkt fijntjes op dat voor een optimale werking de hulstblaadjes waarschijnlijk in het ondergoed moet worden meegedragen. Ook JP Thijsse dronk graag thee getrokken van hulsthout lezen we in zijn biografie. Ook een aardig weetje is dat bij een hoog opgegroeide hulst de blaadjes boven in geen stekels meer hebben, de stekels zijn alleen van nut om bij de grondse vijanden op afstand te houden.
Er komen 2 andere bomen ter sprake: de spindletree waar tollen om wol op te spinnen van werden gemaakt. Ebbenhout met de 2 kleurige kurklijsten in de lengte van de tak wordt gebruikt voor vioolstrijkstokken.
Gert Jan stuurde ons op pad met een opdrachtenlijstje over het zintuiglijk waarnemen van het voorjaar. Aan de hand van vogelgeluid, gagelgeur, opkomende primula, én paaseitjes kwamen sommigen tot minstens 16 waarnemingen.
Over de vogel eieren kan worden opgemerkt dat de meileggers wel laatkomers zijn, de bosuil begint al in februari met leggen en de meeste vogels volgen in maart. Roodborstjes bij wie zowel de mannetjes als de vrouwtjes agressief hun territorium veiligstellen krijgen hiermee een probleem bij het paren, als het mannetje zich opstel als een jonkie dan wil het vrouwtje hem in haar territorium dulden.
Ondertussen doen waggelende eenden zich tegoed aan het restje overgebleven cranberry’s. De halsbandparkieten hebben zich in een boom meester gemaakt van een nest in een holte in de stam. En achter de lavendelhei bloeit de pas aangeplante winterhei.
Ida heeft ons wijzer gemaakt in de wereld van de varens. Ze begon met een leuke wetenswaardigheid dat varens niet van warmte houden en dat de oplettende kijker met deze informatie het verschil tussen een protestante en een katholieke kerk kunnen zien, De katholieken stoken door de week dus bekeren de varens zich liever tot het protestantisme.
Naast dat de varen al heel oud is bestaan er allerlei variëteiten waarvan Ida voorbeelden heeft meegenomen.
vrijdag 18 december 2009
zaterdag 12 december
Excursie verslag de Braak 11-12-2009.
De zon scheen, het was koud en klokslag 10 uur vertrokken we in 3 groepjes het parkje in.
Ik liep mee met de groep van Bas waarbij ook Anthonie zich had aangesloten, en dat had zo zijn voordelen….(hierover later meer)
Het parkje is een soort openluchtmuseum. Want in dit park (samen met het Thijssepark) staan 550 soorten bomen en struiken, waarvan 80 % op de rode lijst!
Het park beslaat 5 ha. en is even groot als het Thijssepark. Het lijkt echter veel kleiner door de indeling. Het meertje is ooit ontstaan door een doorgebroken dijk. Het park bestaat grotendeels uit veengrond wat tegen beter weten in, steeds opnieuw weer opgehoogd moet worden. Anders verzakt het. Door de zuurstof die er bij komt wordt het verteerd en klinkt het in. Als je er niets aan zou doen, zou het binnen twee jaar een broekbos worden.
Het ophogen, wieden, baggeren van de vijver, het renoveren van de bruggen, en ander grondwer,k wordt door vier mensen gedaan, fulltime.
Het park kost veel geld maar het is de inwoners van Amstelveen er veel aan gelegen om ze te behouden; men is trots op zijn parken en daarom staan hier nog steeds geen luxe woningen!
Gespotte vogels (niet door mij, want ik was druk aan het opschrijven): Halsbandparkiet (met rode bef), vlaamse gaai, meerkoeten (ong. 30 stuks, en aardig om te weten is dat je ze heel makkelijk kunt pakken als je je hand boven de plek houdt waar ze onder water zijn gedoken; ze komen nl. altijd weer op dezelfde plek boven..), merel, groene specht (jaagt op mieren en goed te zien omdat ze ‘s winters altijd op plekken zoeken waar het pas gemaaid is), blauwe reiger (zit er het hele jaar door), zwanen en krakeenden. Krakeenden pakken het eten van de meerkoet, zodra deze duikt en zijn eten loslaat.
Het park kent veel wintergasten, waaronder de nijlgans, kuifeenden en aalscholvers (als de vijver openblijft/niet dichtvriest). Aalscholvers hebben geen vetklieren, i.t.t. veel andere vogels; als ze uit het water komen zijn ze loeizwaar van het water. Ze spreiden dan hun vleugels om ze te drogen.
Bas attendeert ons op een groot spechtengat; de specht denkt een insect te zien en begint een gat te hakken in een boom.
Ook wijst hij ons op de niche van een koolmees; een houten vogelhuisje want er zijn geen oude rotte bomen om gaatjes in te maken. Als het gat van het vogelhuisje klein is, diameter 2 euro, dan zit er een pimpelmeesje in. Is het gat groter, dan past het koolmeesje erdoor en verjaagt hij de pimpelmees.
We zien al uitlopers van de daslook en de zomerklokjes…
Weinig paddenstoelen; zwavelkoppen, geweizwammen, rode meniezwam en een niet gedetermineerde plaatjeszwam.
Later kwam Carla nog met een vondst; het viltig judasoortje, gevonden op een oude stronk.
De haagbeuk is te herkennen aan zijn gespierde stam. Jonge exemplaren houden hun blaadjes vast om hun knoppen te beschermen.
Dubbelloof, een varensoort, heeft groene bladeren voor fotosynthese en aparte voor sporen; deze staan hoger dan de rest en vangen meer wind, voor de verspreiding.
Gelukkig liet Anthonie ons nu de binnenkant van zijn werkkeet zien, waardoor mijn vingers weer konden ontdooien en we allemaal werden getrakteerd op koffie.
Lang leve Anthonie!
Helaas was er dit keer niemand jarig dus geen zangpartijen en koek..
Hannie vertelde nog even waar het woord pechvogel vandaan kwam; de pechvogel is gemaakt van stof en werd vroeger naar een lastige leerling gegooid. Deze ving hem op, bracht hem naar de meester/juf terug, en kreeg als dank een mep met een meetlat of riet op de de handen.
Allemaal een goed nieuw jaar gewenst!
Groet, Brigit van Tongeren
De zon scheen, het was koud en klokslag 10 uur vertrokken we in 3 groepjes het parkje in.
Ik liep mee met de groep van Bas waarbij ook Anthonie zich had aangesloten, en dat had zo zijn voordelen….(hierover later meer)
Het parkje is een soort openluchtmuseum. Want in dit park (samen met het Thijssepark) staan 550 soorten bomen en struiken, waarvan 80 % op de rode lijst!
Het park beslaat 5 ha. en is even groot als het Thijssepark. Het lijkt echter veel kleiner door de indeling. Het meertje is ooit ontstaan door een doorgebroken dijk. Het park bestaat grotendeels uit veengrond wat tegen beter weten in, steeds opnieuw weer opgehoogd moet worden. Anders verzakt het. Door de zuurstof die er bij komt wordt het verteerd en klinkt het in. Als je er niets aan zou doen, zou het binnen twee jaar een broekbos worden.
Het ophogen, wieden, baggeren van de vijver, het renoveren van de bruggen, en ander grondwer,k wordt door vier mensen gedaan, fulltime.
Het park kost veel geld maar het is de inwoners van Amstelveen er veel aan gelegen om ze te behouden; men is trots op zijn parken en daarom staan hier nog steeds geen luxe woningen!
Gespotte vogels (niet door mij, want ik was druk aan het opschrijven): Halsbandparkiet (met rode bef), vlaamse gaai, meerkoeten (ong. 30 stuks, en aardig om te weten is dat je ze heel makkelijk kunt pakken als je je hand boven de plek houdt waar ze onder water zijn gedoken; ze komen nl. altijd weer op dezelfde plek boven..), merel, groene specht (jaagt op mieren en goed te zien omdat ze ‘s winters altijd op plekken zoeken waar het pas gemaaid is), blauwe reiger (zit er het hele jaar door), zwanen en krakeenden. Krakeenden pakken het eten van de meerkoet, zodra deze duikt en zijn eten loslaat.
Het park kent veel wintergasten, waaronder de nijlgans, kuifeenden en aalscholvers (als de vijver openblijft/niet dichtvriest). Aalscholvers hebben geen vetklieren, i.t.t. veel andere vogels; als ze uit het water komen zijn ze loeizwaar van het water. Ze spreiden dan hun vleugels om ze te drogen.
Bas attendeert ons op een groot spechtengat; de specht denkt een insect te zien en begint een gat te hakken in een boom.
Ook wijst hij ons op de niche van een koolmees; een houten vogelhuisje want er zijn geen oude rotte bomen om gaatjes in te maken. Als het gat van het vogelhuisje klein is, diameter 2 euro, dan zit er een pimpelmeesje in. Is het gat groter, dan past het koolmeesje erdoor en verjaagt hij de pimpelmees.
We zien al uitlopers van de daslook en de zomerklokjes…
Weinig paddenstoelen; zwavelkoppen, geweizwammen, rode meniezwam en een niet gedetermineerde plaatjeszwam.
Later kwam Carla nog met een vondst; het viltig judasoortje, gevonden op een oude stronk.
De haagbeuk is te herkennen aan zijn gespierde stam. Jonge exemplaren houden hun blaadjes vast om hun knoppen te beschermen.
Dubbelloof, een varensoort, heeft groene bladeren voor fotosynthese en aparte voor sporen; deze staan hoger dan de rest en vangen meer wind, voor de verspreiding.
Gelukkig liet Anthonie ons nu de binnenkant van zijn werkkeet zien, waardoor mijn vingers weer konden ontdooien en we allemaal werden getrakteerd op koffie.
Lang leve Anthonie!
Helaas was er dit keer niemand jarig dus geen zangpartijen en koek..
Hannie vertelde nog even waar het woord pechvogel vandaan kwam; de pechvogel is gemaakt van stof en werd vroeger naar een lastige leerling gegooid. Deze ving hem op, bracht hem naar de meester/juf terug, en kreeg als dank een mep met een meetlat of riet op de de handen.
Allemaal een goed nieuw jaar gewenst!
Groet, Brigit van Tongeren
zaterdag 12 december
Excursieverslag Park De Braak
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.
Gert-Jan Roebersen.
Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes
Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje
Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro
Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad
Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor
Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai
Insecten:
Lieveheersbeest
Mug
Overig:
Zoetwatermossel (schelp)
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.
Gert-Jan Roebersen.
Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes
Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje
Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro
Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad
Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor
Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai
Insecten:
Lieveheersbeest
Mug
Overig:
Zoetwatermossel (schelp)
Abonneren op:
Posts (Atom)