Posts tonen met het label De Poel april 2009. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Poel april 2009. Alle posts tonen

woensdag 13 mei 2009

zaterdag 25-04-'09

Excursie ‘De Poel’ 25 april 2009
Groep: Carla de Bruin
Door: Wijnanda Hulsegge

’s Ochtends verzamelden we bij de kerk aan de Legmeerdijk. We vertrokken in twee groepen. Dit verslagje gaat over de ervaringen die we met de groep van Carla beleefden.

Historie
Carla verteld over de historie. Ze legt uit dat vroeger de kustlijn als het ware heen en weer schoof. De zee kwam op en trok zich weer terug. Als de zee zich terug trok ontstonden er poelen die vervolgens dichtgroeiden met veen. Bij Hilversum is grofweg de scheiding van veengrond naar zandgrond. Dat geeft aan hoever de zeelijn het land inging. Langs de rivieren vestigden zich bevolking die het veen afgroeven. Dit veen werd gedroogd en het turf werd als brandstof gebruikt. Als er geen veen meer was, werd er bagger uit de poelen gegraven en op een legakker te drogen gelegd. Dit kon ook als brandstof worden gebruikt. Door het afgraven van veen ontstonden er weer plassen. Dit werd vervolgens vaak weer met molens drooggemalen waardoor polders ontstonden.

De Poel is bijzonder, omdat het niet verveend en ook niet drooggemalen is. Hoe komt dit? (Ik heb nergens kunnen vinden hoe dit komt alleen dat het niet bekend is: Carla) De Legmeerdijk is van vroeger uit de dijk van de polder?

Opdracht
De opdracht die de groep meekreeg was: kijk naar de globale structuur (elementen) van het landschap. Verhogingen, verlagingen, water, vlak, nat, droog. De opbouw van de elementen, grassen, kruiden, struiken, bomen. De dieren, diersporen, vraatsporen enz.

Wat we gezien hebben
Nog geen 100 meter vanaf het startpunt van de excursie is er al veel te zien. Het gebiedje aan de rechterzijde van de ingang is drassig. Als we erop springen trilt de hele omgeving mee. Het bestaat uit een variatie van grassen, mossen, zeggen, russen, cypergras (zoals Veenpluis), bomen (zoals Els en Berk).

Er valt heel veel te vertellen over de planten in het gebied. Onderstaande opsomming geeft een beeld wat we zoal hebben gezien. De nummers betreffen fotonummers.

Mossen:
Topkapselmossen groeien omhoog. Deze mossen hebben de eigenschap dat ze zichzelf conserveren tegen rotting. Dit doen ze door een zuur af te scheiden. Veenmos groeit omhoog (70). Verder is Haakmos ook gezien. Haarmos groeit ook steeds hoger. Mossen hebben een ingewikkeld verhaal. Mosplantjes met een mannelijke “bloem’’ hebben net als de mosplantjes met een vrouwelijke “bloem” een enkele set chromosomen. De sporen hebben ook een enkele set chromosomen terwijl het doosje (ontstaan na de bevruchting) waar de sporen inzitten een dubbele set chromosomen heeft. Het doosje met sporen gaat dicht als het regent omdat het namelijk geen zin heeft als sporen in regen worden verspreidt. Met mooi weer gaat het doosje open.

Grassen:
Reukgras (64) cumarine

Zeggen:
Oeverzegge (losse mannetjes en losse vrouwtjes)

Cypergras:
Veenpluis (mannetjes en vrouwtjes zitten bij elkaar). De witte katoentjes van de plant werden vroeger gebruikt als vulling voor kussens, matrassen en om wonden te stelpen.

Oeverplanten:
Moerasspirea (‘koningin van de weide’ ), Waterzuring, Riet, Gele lis en Pitrus. De naam Pitrus komt van vroeger. De witte inhoud van Pitrus werd vroeger in het schapenvet gedoopt en gebruikt als pit voor lampen. Waterscheerling.

Kruiden:
Perzikkruid heeft een langwerpig blad met een donkere vlek.
Distel, Speerdistel, Kale jonker zijn 2-jarige planten en hebben een overwinteringsrozet. Hierbinnen is een microklimaatje waardoor de planten kunnen overwinteren. Kale jonker, als deze soort op de akker groeide, valt er weinig te halen ‘Kale jonker’.
Hondsdraf (86+104) heeft de tong uit de bek, Dovenetel (87) witte bloemen en paarse (105), Adam en Eva in het prieeltje.
Het beroemde Look-zonder-look (95) was in het gebied volop aanwezig.
Smeerwortel. Als de wortel van Smeerwortel wordt doorgesneden komt er een smerig slijmerige substantie uit. Van de bladeren kan je stamppot maken en je kunt ze frituren.
Fluitenkruid (106), je kunt van de jonge stengels fluitjes maken.
Berenklauw heeft bladeren met een fototoxische stof erin. Dit betekent dat de gifstoffen pas werken als je ermee in de zon komt. De Siberische berenklauw is niet inheems. (107).
Raapzaad lijkt op Koolzaad. Raapzaad (a=achter; knoppen achter de bloemen) Koolzaad (o=boven; knoppen boven de bloemen)?
Koekoeksbloem
Blaartrekkende boterbloem (127). Het sap van deze plant is net als bij Berenklauw, blaartrekkend.
Scherpe boterbloem (129) hanepoot, 3-sprietige bladeren.
Engelwortel, geveerd
Wikke
Een-arig wollegras
Veenpluis
Zonnedauw (bloeit wit)
Wilde hyacint

Bomen:
Over de Els valt al veel te vertellen. Een uitspraak van vroeger: “Elzen en rood haar (Ieren) groeien op arme gronden.” Vaak staan elzen langs het water waardoor de zaden in het water terechtkomen. Daarom zijn de zaden van deze boom zodanig aangepast dat ze drijven. Het zaadje van de Els is heel klein, rond en heeft aan weerszijden kurkvleugeltjes (69). Als een els wordt omgezaagd is op de houtsnede oranje/rood sap te zien, zogenaamde ‘bloeden’. Duivels? (De duivel heeft zijn moeder tot bloedens toe geslagen met een tak van een Els, als een Els wordt omgezaagd en het snijvlak kleurt rood herinnert dit de duivel aan zijn moeder en wordt hij weer razend. Daarom was het heel lang verboden om Elzen om te zagen) En Schubert heeft muziek gemaakt genaamd bij het sprookje van de Elzenkoning .
De Esdoorn (83) heeft zelf geen doornen, maar heeft zijn naam te danken aan de gebruiksfunctie die het hout vroeger had. Er werden pijlen van gemaakt. Het droge hout splijt makkelijk.
De Iep (97) heeft groene ronde zaadjes. De bladeren zijn herkenbaar vanwege het scheve blad begin.
Rode beuk, de bladrand heeft een wimpertje (142). De haren geven extra bescherming in de winter. In het blad van de rode beuk zit Anthocyaan. De beuk staat vaak op plekken waar vroeger een boerderij heeft gestaan.
Spaanse aak.

Struiken:
Appelbes is in het gebied te zien. De soort werd vroeger bij de boerderijen als sierplant geplant. Het heeft rode bladeren in de herfst en bloeit als witte bloem.
Veldkers (65) bevat vitamine C.
Gewone vogelkers en Amerikaanse vogelkers zijn te onderscheiden aan het kenmerk dat de laatstgenoemde een donsrand heeft bij de hoofdnerf van het blad aan de onderzijde en de gewone Vogelkers alleen een donsje heeft in de oksels van de hoofdnerf met de zijnerven. Amerikaanse vogelkers is een plaag in Nederland.
Verder zijn Lijsterbes (89), Kamperfoelie (89) en Hulst (89) gezien.

Vogels:
Zwartkop, Kievit, Blauwe reiger, Nijlgans, Grauwe gans

Insecten:
Wat is het verschil tussen Libellen en Waterjuffers? Libellen hebben een eigen territorium en Waterjuffers niet. De Waterjuffer klapt zijn vleugels in elkaar als hij stilzit. Overigens zijn Libellen veel forser dan waterjuffers.

Reptielen:
Ringslang. Na een poosje lopen komen we op de dijk die de grote en de kleine poel scheidt. Dit is de dijk van de Legmeerpolder. Een zeer bijzondere ervaring is een Ringslang die het slootje overzwemt en vervolgens tussen de struiken en takken aan de overzijde verdwijnt.

Tijdens de excursie hebben we veel planten waargenomen, maar er was zeker ook oog voor de vogels in het gebied. Het toetje van de excursie, kievieten die hun jongen met man en macht beschermden tegen de aanval van een kraai.

Het was een hele mooie ochtend.

dinsdag 28 april 2009

zaterdag 25-04-'09

Verslag excursie IVN Amstelveen op 25 april 2009
Ron Hamming

Vandaag hadden we afgesproken op de Legmeerdijk bij de kerk tegenover restaurant Zilverzand, bij de ingang tot het gebied rond de Amstelveense Poel. Het pad, waar de groep zich in twee groepjes opsplitst, voert in eerste instantie naar de Kleine Poel. Ik ga mee met de groep rond Bas ten Asbroek. Langs het pad groeien, zoals ik zelf waarneem, soorten als witte dovenetel, brandnetel, paardebloem en hondsdraf aan weerszijden van het pad tussen het gras.

We lopen door naar een bosschage rechts van het pad, waar Bas stil houdt bij een vrij grote els aan de rand van het bosje. Hij vraagt ons wat ons aan deze boom opvalt. Het eerste is dat
de els zowel katjes (mannelijk) als de z.g. “propjes” (vrouwelijk) heeft, maar de laatste alleen aan de dikke takken. Jonge elzen hebben deze propjes nog niet. Elzen hebben, net als berken en hazelaars, lange katjes, die veel stuifmeel bevatten dat op de stamper van de vrouwelijke bloemen (van andere bomen, ze zijn niet gelijktijdig rijp) terecht komt. Daarbij kunnen de stuifmeelkorrels in de wind kilometers afleggen.
De grotere en de kleine bladeren zijn iets anders van vorm; de kleine zijn duidelijk hartvor-mig. Een aantal heeft kleine gallen, die twee vormen en kleuren (rood en wit) vertonen en mogelijk van verschillende insecten stammen. De boom zit boven niet goed in zijn blad. Daar de omstandigheden voor deze els (genoeg zon, bodem vochtig genoeg) geschikt zijn, is dit volgens Bas een aanwijzing dat de boom mogelijk al op leeftijd raakt en om deze reden achteruit gaat.

De takken zijn glad en voorzien van lenticellen (voor de ademhaling), terwijl de stam een ruwe bast heeft. Er groeien aan de schaduwzijde van de boom nauwelijks takken vanwege gebrek aan licht. De top van de stam van de els groeit, net als bij de bomen er omheen, naar het pad toe om voldoende licht te vangen en groeit dus iets scheef. Dit geldt ook voor de andere bomen aan de rand, zoals de berk.
De grotere en de kleine bladeren zijn iets anders van vorm; de kleine zijn duidelijk hartvor-mig. Een aantal heeft kleine gallen, die twee vormen en kleuren (rood en wit) vertonen en mogelijk van verschillende insecten stammen. Deze leggen hun eitjes in de bladeren, waar de larven eruit komen en zich na verloop van tijd tot volwassen insect (“imago”) verpoppen.

De els heeft zowel katjes (mannelijk) als de z.g. “propjes” (vrouwelijk), maar de laatste alleen aan de dikke takken. Jonge elzen hebben deze propjes nog niet. Elzen hebben, net als berken en hazelaars, lange katjes, die veel stuifmeel bevatten dat op de stamper van de vrouwelijke bloemen (van andere bomen, ze zijn niet gelijktijdig rijp) terecht komt. Daarbij kunnen de stuifmeelkorrels in de wind kilometers afleggen.

Het valt op dat de boompjes midden in het bosje smal en laag zijn; ze beconcurreren elkaar te veel om licht, voedsel en water. We gaan het bosje in, dat in het midden vochtig is; de bodem veert er, het gaat om veengrond. Hier groeien alleen karige boompjes en opslag van soorten, die je (ook) in het veenweidegebied kunt verwachten, zoals els, lijsterbes, krent, es (één) en berk. De laatste vind je trouwens ook in droge zandgronden, zodat ze in veel soorten bodem kunnen gedijen. Het zijn soorten die (vrij) snel groeien en zich voortplanten, vaak al na 5-7 jaar, terwijl een eik dit pas na een jaar of twintig doet. Men vindt hier dan ook geen eiken, omdat de omstandigheden voor deze boomsoort slecht zijn. Die heeft gewoonlijk diepe wortels voor de verankering, maar deze zouden hier in het hoge grondwater terecht komen en gaan rotten, of blijven teveel aan de oppervlakte, waardoor de bomen bij wind vrij snel omgaan. Ook de bomen van de andere soorten blijven hier klein, terwijl ze wat beter aan de omstandigheden aangepast zijn. In weerwil hiervan vinden we toch, laag bij de grond, de opslag van een eik.

Er groeien verschillende mossoorten, één plak haast in een rechte lijn, zodat er vermoedelijk een stammetje in de bodem ligt of er een boomwortel loopt. Verder groeien er enkele kleine varens, waarvan nog niet goed te zien is om welke soort het gaat; mogelijk een stekelvaren.

We steken de kwakelbrug over en hebben het over de verschillende soorten grassen en schijn-grassen (zeggen, russen en ook biezen, waar Jeanine maar niet op kon komen, maar uiteinde-lijk wel ). Je kunt zeggen onderscheiden van grassen doordat bij zeggen de mannelijke voortplantingsorganen aan de top zitten, terwijl de vrouwelijke lager aan de stengel zitten.
We zien hier verder een kleine eik, die tegen een els aan staat.

We lopen door naar de Kleine Noorddijk. Hier is tussen de weg en het ruiterpad een strook groen met een rij eiken, die door de mens geplant zijn. In verband met de ruiters zijn ze tot minimaal 3 m boven de grond opgesnoeid. De grond is hier stevig, omdat een dijk allicht stevig moet zijn.
We blijven even stilstaan bij een eik die in bloei staat. De katjes zijn niet opvallend, het zijn kleine groene bloempjes. Hieruit komen in de loop van het jaar de eikels uit voort. Een deel van de eikels is trouwens niet in goede staat. Doordat de grond oorspronkelijk aangestampt is heeft de eik moeite met zijn wortels door de grond te komen. Dit kan slechts door veel kracht uit te oefenen. Bovendien dragen ook bodeminsecten bij aan een betere doorlichting van de bodem. Verderop langs de dijk staat een aantal eiken dat door schimmels aangetast is, omdat de bomen een verminderde weerstand hebben. De eiken staan sowieso te dicht bij elkaar. Ook hier valt op dat de eiken vooral aan één kant (de zonzijde) groeien. Een beuk aan de rand van het bosje, achter het ruiterpad, heeft zelfs een dikke tak over het ruiterpad naar de weg gevormd, in een poging voldoende zonlicht te vangen.

We gaan de dijk af, richting een waterloop. Daarachter loopt de Middelpolder, waarvan het veen in tegenstelling tot de polder aan de kant van de Poel afgegraven is. Het hoogteverschil bedraagt ongeveer 4 m. Het veen dat vroeger werd gebruikt voor de verwarming werd vooral uit Drente betrokken, maar ook veen uit deze contreien werd – in mindere mate - om deze reden afgegraven.
Op ongeveer 1,5 m hoogteverschil van de dijk blijven we staan en bekijken de nabije omgeving. Hier valt op dat er vrijwel geen ondergroei, ondermeer vanwege gebrek aan licht. Hier zijn beuken geplant die een dicht bladerdak vormen. Bovendien bevatten de beuken-bladeren op de bodem stoffen die de groei van concurrerende boomsoorten belemmeren / verhinderen. De takken van een beuk groeien vrijwel horizontaal in “etages”. Zo beschermen ze hun kwetsbare stam tegen direct zonlicht. Als beuken verplaatst worden naar een open plek, waardoor hun stam aan fel zonlicht wordt blootgesteld, kan de stam verbranden. Daarom wordt de stam in zulke gevallen in jute verpakt.

Er liggen grote veren in het rond, waarschijnlijk een reiger. Enkele mensen denken aan een roofdier, maar het is waarschijnlijk een loslopende hond die dit heeft aangericht. De vraag is waarom de veren midden in het bosje op het talud liggen, terwijl reigers gewoonlijk aan het water staan.

Bomen worden met opzet te dicht op elkaar geplant. De groei van de verschillende bomen zal dan uitwijzen welke exemplaren het sterkst zijn (“toekomstbomen”). Een deel van de zwakkere bomen wordt dan met de kettingzaag verwijderd; dit noemt men dunnen. Dit moet om de zoveel jaar herhaald worden, zodat de sterkste bomen overblijven.

Bas vestigt onze aandacht op een beuk, waar initialen staan ingekrast. Hij stelt ons de vraag of, als een boom in de loop der jaren groeit, de initialen uiteindelijk op een andere plek in de boom terechtkomen. Dit kost de deelnemers aan de excursie enige hoofdbrekens, maar uitein-delijk is de conclusie dat de initialen op dezelfde plek blijven. Een boom rekt niet uit, hij groeit in eerste instantie namelijk in de breedte, en niet in de hoogte, dit in tegenstelling tot de mens. Bas maakt een vergelijking met de mens, waarvan de navel bij het kind veel lager ligt dan bij de volwassene en a.h.w. met de groei meegaat.

We steken de weg over naar de “Oeverlanden Amstelveense Poel”. Vlak na het bruggetje staat er een grote wilg aan het water. Deze is door mensen geplant, maar het is niet duidelijk waarom. Mogelijk heeft hier ooit een boerderij gestaan.
De wilg heeft enkel gele, mannelijke katjes. De witte katjes, die vaak aan de wilgetakken hangen die men in de winkel kan kopen, zijn vrouwelijk. Bij wilgen is er dus sprake van kruisbestuiving. Mannelijke wilgekatjes rijpen overigens van binnen naar buiten, waarna het vele stuifmeel door de wind wordt meegenomen. De katjes zien er dan “verwaaid” uit.
Aan het uiteinde van één tak is de bloei niet uitgekomen. Hier heeft blijkbaar een insect op de boom geparasiteerd.
De wilg heeft overigens 3 stammen. Gezien de leeftijd van de wilg, 70 tot 80 jaar, is het mogelijk dat men hem aan het einde van de 2de wereldoorlog tot op de grond heeft afgezaagd, waarna zich er nieuwe loten hebben gevormd.

We lopen door en hebben aan de rechterkant uitzicht op een beschermd gebied waar geen publiek mag komen. De begroeiing wordt hier kunstmatig (zeer) laag gehouden doordat deze elke winter gemaaid wordt. Een deel van de begroeiing heeft een rode weerschijn. Aanvanke-lijk wordt gedacht aan soorten aan de appelbes of de moerasspirea, maar uiteindelijk blijkt het te gaan om opslag van de krent, die we ook op andere plekken aantreffen.
Andere soorten zijn ondermeer de reeds genoemde moerasspirea, een soort zuring, boterbloe-men, hondsdraf, één (echte) koekoeksbloem en koolzaad of een aanverwante plant. Verder verschillende soorten grassen, waarvan er slechts enkele exemplaren in bloei staan, omdat het nog vroeg in het jaar is.

We zien in de verte een nijlgans, die niet enkel op doorreis is, maar hier de laatste jaren ook nestelt. Hij legt gemiddeld 7 eieren per nest.
Bas houdt een verhaal die voetgangers hinderde, en die hij heeft verjaagd door een zwaan (een veel grotere) te imiteren.

We lopen een vlonder op en besteden aandacht aan de begroeiing, die op kop van de paaltjes in het water opkomt. Zelfs hier kan men allerlei soorten aantreffen, omdat ze de voedingsstoffen uit de paal kunnen benutten. De paaltjes zijn bedoeld als golfbrekers. Vooral bij wind kunnen de golven makkelijk stukken grond uit de oevers, die uit slappe veengrond bestaat, wegslaan. Er drijft nu ook een pol met gras in het water. Er groeit o.a. moeraszegge en waterzuring in/ langs het water hier en elders in het gebied.
Zelfs op de planken van de vlonder is nog begroeiing, namelijk korstmossen.

We komen weer een (kleinere) wilg tegen, die mannelijke katjes heeft. Deze rijpen van binnen naar buiten, waarna het vele stuifmeel door de wind en/of door insecten wordt meegenomen. De katjes blijven dan een beetje “verwaaid” (zeg maar verfomfaaid) achter.
We komen een els tegen, die met een lijsterbes vergroeid is. Daar de laatste vlak onder de els opgekomen is, zal een vogel in de boom, die op een tak zijn behoefte heeft gedaan, het pitje van een door hem verorberde lijsterbes hebben uitgescheten, waarna de boom kon uitkomen.
Eén dikke tak van de els is overigens verzaagd, misschien om licht in de boom te krijgen, maar waarschijnlijk eerder voor de veiligheid van passanten op weg naar de vlonder.

Naast de verschillende soorten grassen die we aantreffen en waarvan enkele exemplaren al in bloei staan (gewoon straatjesgras, reukgras, timotheegras) vindt men soorten als vlier, distels, fluitekruid en brandnetels. Dit is een aanwijzing dat de grond (en het water) op deze plek-ken vrij voedselrijk is. Verderop zien we een plant die op fluitekruid lijkt, maar te fors uitgevallen is: het blijkt een engelwortel te zijn. In het water zien we een zwaan op zijn nest.

In of aan de rand van het water vinden we soorten als waterweegbree, gele lis en waterscheer-ling, waarvan de knollen giftig zijn.

In dit gebied is volop avontuur: we treffen twee copulerende slakken aan.

We naderen het einde van de excursie. Aan de rand van de bosschages langs het pad zien we het grote blad van de Siberische bereklauw. Hier kan ondergetekende over meepraten. Toen deze nog in het groen werkte heeft hij er in Almere honderden van moeten verwijderen. Deze soort is volgens hem in de jaren vijftig van de vorige eeuw ingevoerd door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, omdat men de plant zo mooi vond. Sindsdien heeft de soort zich in de Flevopolders, maar ook elders ontwikkeld tot een plaag, omdat hij andere soorten over-woekert. Hij valt haast alleen machinaal te bestrijden. Een groot nadeel van deze plant is, dat hij, als hij zich eenmaal vol ontwikkeld heeft, een wit sap in de dikke stengel bevat, dat de blote huid vooral bij blootstelling aan zonlicht in de zomer of vroege herfst danig kan aan-tasten.

We komen langs een open terrein aan de linkerkant van het pad, waar verschillende kieviten zich ophouden. Eén ervan blijft vrijwel stilstaan, terwijl de ander rondscharrelt. Het gaat hier om een paartje met een nest of jongen; de beweeglijke kievit probeert waarschijnlijk de aan-dacht van het nest af te leiden. Daar is alle reden voor: in een dode boom aan de linkerkant van het veld zit een kraai op een strategische plek, vanwaar hij alles kan overzien. Een kievit probeert hem uit de boom te jagen, maar kan niet dichtbij genoeg komen vanwege de takken. Als de kraai uiteindelijk de boom verlaat, wordt hij achtervolgd/ aangevallen door drie/vier kieviten, die elkaars concurrenten zijn maar nu een gemeenschappelijke vijand hebben. De kraai laat zich (voorlopig) verjagen.
Het kost ons moeite om het te vinden, maar we slagen erin om gezamenlijk met mensen van de andere groep het jong te traceren, dat zich natuurlijk zo veel mogelijk verscholen houdt en zich van dekking naar dekking spoedt.

De excursie wordt a.h.w. afgesloten met het zicht op een fraaie kastanje in bloei (witte paardekastanje, een cultivar). We komen terug bij dezelfde ingang waar we vertrokken zijn. Enkele mensen blijven nog even napraten, waarna ieder zijn of haar weg gaat, met verschil-lende middelen van vervoer. Twee deelnemers hebben er nog steeds geen genoeg van en gaan nogmaals het terrein in, omdat ze gehoord hadden dat het weer de komende dagen sterk achteruit zou gaan.

zaterdag 25-04-'09

Verslag excursie Amstelveense Poel door Alex van der Velden
Zaterdag 25 april 2009 / 10-13 uur
Excursiegroep van Carla de Bruijn

Inleiding gebied Amstelveense Poel:
Verzamelen om 10:00 uur aan de Noorddammerdijk te Bovenkerk. Carla is de gids van onze groep en vertelt ons wat achtergrondinformatie over het gebied van de Amstelveense Poel. Grofweg ligt het gebied tussen de dijk (Noorddammerdijk) van Bovenkerk en de dijk welke de grens van het Amsterdamse Bos (het voormalige “Boschplan”) is.
Het gebied is een veengebied en dus zurige en “arme” grond. De bovenlaag is veen, terwijl de onderliggende lagen afwisselend bestaan uit afwisselende lagen van klei, veen en onderliggende zandgronden. In het verre verleden heeft de kustlijn van Nederland diverse keren verder landinwaarts gelegen. Hierdoor zijn de kleilagen welke de rivierloop toen heeft afgezet ontstaan. Zandvoort aan zee is in het verre verleden dus Hilversum aan zee geweest!! Verder vertelt Carla nog wat meer over het ontvenen van het gebied door het steken van turf hetwelk vroeger als brandstof voor de kachel werd gebruikt en dat de vele waterlopen in Amstelveen (nog steeds) dienen om het gebied redelijk droog te houden.

Structuur van het gebied:
De structuur van het gebied waar we lopen bestaat uit verhogingen en verlagingen, een bobbelig gebied wat vochtig is, alleen … op deze dag wat minder vochtig aangezien het al geruime tijd behoorlijk droog is geweest. Het is eigenlijk een “overgebleven gebied” waarin weinig tot geen ingrepen zijn geweest m.u.v. de aanleg van bruggen en paden en af een toe een maaibeurt in sommige gebiedsdelen.

Flora in het gebied:
De eerste opdracht de groep krijgt is het rondkijken in het natte gebiedje wat hier zoal groeit en bloeit. Er staan Elzenbomen, welke met hun bacterieknollen onder de grond de stikstof omzetten en het goed doen in drassig gebied. De zaden van de Elzenbomen (elzenzaden) hebben z.g.n. “kurkvleugeltjes”. Hierdoor blijven ze drijven en spoelen zo weer ergens aan land aan, reden waarom de Elzenbomen vaak nabij de oevers van water groeien. Verder groeien de Vogelkers en de Lijsterbes hier. Verderop in het gebied naast de Amstelveense Poel treffen we nog aan de Lijsterbes, Hulst, Appelbes, Iep, Krentenboom en de Esdoorn aan. Laatstgenoemde dankt zijn benaming aan het feit dat in de middeleeuwen hier pijlen (voor de pijl en boog) van werden gemaakt. Bij inslag spleten deze pijlen (doornen) waardoor de inslag een extra impact kreeg qua verwondingen!!)

Aangetroffen planten in het gebied:
Brandnetels
Veldkers
Veldzwam
Moerasspirea (ook wel Koningin van de weide genoemd en witbloeiend)
Hondsdraf
Distel
Veldzuring
Boterbloem
Blaartrekkende boterbloem (veroorzaakt blaren met zijn sappen!!)
Pinksterbloem
Perzikkruid
Witte dovenetel
Paarse dovenetel
Koningsvaren
Smeerwortel (genoemd naar de smurrie die zich in de wortel bevind, ook lekker te
eten, bladeren door het beslag en frituren!!)
Fluitenkruid
Raapzaad
Waterscheerling (zeer giftig, de gifbeker van Socrates is hiermee bereidt!!)
Wilde Hyacint (Niet inheems!!)
Siberische Berenklauw (uitheems, veroorzaakt brandwonden!!)
Drocera Zonnedauw (Vleesetend plantje, vangt en verteerd insecten d.m.v. kleverige haartjes.

Komt vnl.voor op /tussen veenmos.
Bekerplant (vleesetende plant, vangt insecten op in “beker” en is uitheems).

Aangetroffen grassen in het gebied:
Reukgras (“toffeelucht”)
Oeverzegge (driekante, beetje scherpe stengel)
Veenpluis (groeit graag op zure gronden, heeft “katoenachtige” pluimen welke in vroeger tijden werden

gebruikt als kussenvulling!!)
Pitrus (heeft in de stengel een wit merg zitten wat in vroeger tijden werd gebruikt als “pit” (lont) in olielampen!!)
Wollegras (heeft vrij grote witte “wollige”bollen aan het eind van de pluim)

Aangetroffen Mossen:
Veenmos
Haarmos (heeft haren aan het huikje over de kop van de steel van het moskapsel)

Fauna in het gebied:
In het bezochte gebied is ook een ruime fauna te vinden. Gedurende de excursie zijn er aardig wat diersoorten aangetroffen, zowel zoogdieren (mensen en uitgelaten honden, maar die tellen natuurlijk eigenlijk niet mee!) als vogels, insecten, amfibieën en reptielen. Zo kwamen konden we in de verte een buizerd waarnemen die in het veld een prooi ving (het zgn. “slaan” van een prooi!!) en een stel Kievieten die opgewonden boven het veld rondfladderden, kennelijk ten doel de kraai die in een boom zat op afstand te houden van het nest wat in het veld lag.

Aangetroffen (water)vogels in het gebied: Aangetroffen insecten:
Buizerd Koolwitjes (vlinders)
Wilde eenden (met jongen) Mier
Staartmezen
Nijlgansen Aangetroffen Amfibieën:
Meerkoeten Groene kikker
Reigers
Zwanen Aangetroffen Reptielen:
Kraaien Ringslang
Kievieten

Houtduif

Vooral de in de sloot voorbij zwemmende Ringslang was een leuk moment.

Overige aangetroffen diersporen:
Erg veel diersporen zijn we niet tegengekomen, met uitzondering van de Ringslanghoop nabij de dijk van het Amsterdamse Bos. (de vogelstront her en der niet meetellende).

Einde excursie:
Omstreeks 13:00 uur eindigde de excursie weer bij het startpunt aan de Noorddammer-dijk te Bovenkerk
.