zaterdag 23 januari 2010

Jaoba Mulder en Cornelis van Eesteren

zaterdag 23 januari 2010

Verslag 23 januari 2010 op het vogeleiland in het Amsterdamse bos.

Met ze tweeëntwintigen gingen we onderweg naar het vogeleiland, we hoorde (zagen) al snel een boomklever.
Op het vogeleiland aangekomen begon Annemarie met een 10 minuten praatje. Ze vertelde in het kort iets over de geschiedenis van het vogeleiland. In eerste instantie was het zo ingericht om vogels en reptielen te trekken. De vogels die ze in gedachte hadden kwamen alleen niet. Daarna werd het een heemtuin en nu is het een rustige plek waar veel vogels hun snavel laten zien. Ook eekhoorns komen heel dicht bij je als je maar stilzit.
Annemarie wilde een vogelbingo doen. We kregen allemaal een briefje met 8 vogels of iets vergelijkbaars. Zoals een vliegtuig, veertje, staartmees, nestkastje, merel, goudhaantje, ekster en boomklever. Die 8 punten moest je zoeken of horen en wie er de meeste gehoord of gezien had, had natuurlijk gewonnen.
Ik vond het erg leuk om te doen en iedereen was zo stil 

Aleid en Johanna hadden hun 20 minuten rondleiding. Die hadden ze voorbereid vanaf de geitenboerderij naar het vogeleiland. Alleen tijdens hun voorbereiding was het een compleet andere wereld er lag namelijk sneeuw. Dat was nu geheel verdwenen. Aleid vertelde nog het een en ander over Jacoba Mulder.

Tijdens de wandeling naar de geitenboerderij hebben we nog een paar opdrachten gekregen van Carla. Met een plakbandje op de boom en dan op een vel wit papier plakken, dan heb je de vingerafdruk van de boom. Ook met een papiertje en een krijtje krijg je leuke afdrukken.

Bij de geitenboerderij konden we weer een beetje opwarmen, want we hadden het wel een beetje koud gekregen van het vele zitten. Verder was het een gezellige en toch nog droge dag.

Femke Hoonhout

vrijdag 18 december 2009

zaterdag 12 december

Excursie verslag de Braak 11-12-2009.
De zon scheen, het was koud en klokslag 10 uur vertrokken we in 3 groepjes het parkje in.
Ik liep mee met de groep van Bas waarbij ook Anthonie zich had aangesloten, en dat had zo zijn voordelen….(hierover later meer)
Het parkje is een soort openluchtmuseum. Want in dit park (samen met het Thijssepark) staan 550 soorten bomen en struiken, waarvan 80 % op de rode lijst!
Het park beslaat 5 ha. en is even groot als het Thijssepark. Het lijkt echter veel kleiner door de indeling. Het meertje is ooit ontstaan door een doorgebroken dijk. Het park bestaat grotendeels uit veengrond wat tegen beter weten in, steeds opnieuw weer opgehoogd moet worden. Anders verzakt het. Door de zuurstof die er bij komt wordt het verteerd en klinkt het in. Als je er niets aan zou doen, zou het binnen twee jaar een broekbos worden.
Het ophogen, wieden, baggeren van de vijver, het renoveren van de bruggen, en ander grondwer,k wordt door vier mensen gedaan, fulltime.
Het park kost veel geld maar het is de inwoners van Amstelveen er veel aan gelegen om ze te behouden; men is trots op zijn parken en daarom staan hier nog steeds geen luxe woningen!
Gespotte vogels (niet door mij, want ik was druk aan het opschrijven): Halsbandparkiet (met rode bef), vlaamse gaai, meerkoeten (ong. 30 stuks, en aardig om te weten is dat je ze heel makkelijk kunt pakken als je je hand boven de plek houdt waar ze onder water zijn gedoken; ze komen nl. altijd weer op dezelfde plek boven..), merel, groene specht (jaagt op mieren en goed te zien omdat ze ‘s winters altijd op plekken zoeken waar het pas gemaaid is), blauwe reiger (zit er het hele jaar door), zwanen en krakeenden. Krakeenden pakken het eten van de meerkoet, zodra deze duikt en zijn eten loslaat.
Het park kent veel wintergasten, waaronder de nijlgans, kuifeenden en aalscholvers (als de vijver openblijft/niet dichtvriest). Aalscholvers hebben geen vetklieren, i.t.t. veel andere vogels; als ze uit het water komen zijn ze loeizwaar van het water. Ze spreiden dan hun vleugels om ze te drogen.
Bas attendeert ons op een groot spechtengat; de specht denkt een insect te zien en begint een gat te hakken in een boom.
Ook wijst hij ons op de niche van een koolmees; een houten vogelhuisje want er zijn geen oude rotte bomen om gaatjes in te maken. Als het gat van het vogelhuisje klein is, diameter 2 euro, dan zit er een pimpelmeesje in. Is het gat groter, dan past het koolmeesje erdoor en verjaagt hij de pimpelmees.
We zien al uitlopers van de daslook en de zomerklokjes…
Weinig paddenstoelen; zwavelkoppen, geweizwammen, rode meniezwam en een niet gedetermineerde plaatjeszwam.
Later kwam Carla nog met een vondst; het viltig judasoortje, gevonden op een oude stronk.
De haagbeuk is te herkennen aan zijn gespierde stam. Jonge exemplaren houden hun blaadjes vast om hun knoppen te beschermen.
Dubbelloof, een varensoort, heeft groene bladeren voor fotosynthese en aparte voor sporen; deze staan hoger dan de rest en vangen meer wind, voor de verspreiding.
Gelukkig liet Anthonie ons nu de binnenkant van zijn werkkeet zien, waardoor mijn vingers weer konden ontdooien en we allemaal werden getrakteerd op koffie.
Lang leve Anthonie!
Helaas was er dit keer niemand jarig dus geen zangpartijen en koek..
Hannie vertelde nog even waar het woord pechvogel vandaan kwam; de pechvogel is gemaakt van stof en werd vroeger naar een lastige leerling gegooid. Deze ving hem op, bracht hem naar de meester/juf terug, en kreeg als dank een mep met een meetlat of riet op de de handen.
Allemaal een goed nieuw jaar gewenst!
Groet, Brigit van Tongeren

zaterdag 12 december

Excursieverslag Park De Braak
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.

Gert-Jan Roebersen.


Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes

Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje

Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro

Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad

Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor

Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai

Insecten:
Lieveheersbeest
Mug

Overig:
Zoetwatermossel (schelp)

donderdag 3 december 2009

zaterdag 21 november

Vogeleiland 21 november 2009 10.00 – 13.00 uur

Woensdag was er regen en narigheid voorspeld en met de regenachtige ochtend in park Lagerhuis in gedachte gingen we vol goede moed op weg. Gelukkig was het goed weer, zelfs eindigend in stralend.
In 2 groepen hebben we langs 10 meter touw geïnventariseerd welke planten we wisten te herkenen aan de vegetatieve kenmerken. Wij begonnen langs daar waar het zompig was. Allereerst ging onze belangstelling uit naar de rode vruchten van de Gelderse roos. Deze giftige vruchten worden niet gewaardeerd door onze vogels. In de winter, komen er vaak pestvogels die van Gelderse roos naar Gelderse roos trekken.

Langs de lijn:
Zomprus
Moerasspirea
Weegbree
Kale Jonker
Akkerdistel
Rolklaver
(Oever)zegge
Bies
Watermunt
Hertshooi
Engelwortel
Kruipende boterbloem
Wilgenroosje
Kleine valeriaan
Pinksterbloem
Boogsterrenmos
Gerimpeld boogsterrenmos
Rimpelmos
Kleine Water Eppe

Wilde Bosrank

Er vliegt een sperwer over, te herkennen aan het fladderen afgewisseld met zweven. Een sperwer bid niet en heeft een lange staart.

Turkse Hazelaar

Langs de tweede lijn:
Bieslook
Wollige Munt
Mierikswortel
Raapzaad
Inheemse bereklauw
Ridderzuring
Smeerwortel
Kweek
Blauwe knoop (niet helemaal langs de lijn)
Hondsdraf
Klein streepzaad
Ereprijs
Kleefkruid
Vogelmuur
Biggekruid
Zevenblad
Paardenbloem
Dikkopmos

Libel (vrouwtje van de blauwe glazenmaker, haar lichte delen zijn doorgaans groen en haar ogen hebben geen blauw, zie foto onderaan)
Goudhaantje
Sijsjes
Roodborstje


Mossen

De mossen zijn ingedeeld in bladmossen, levermossen en hauwmossen.
De bladmossen zijn onderverdeeld in topkapselmossen, slaapmossen en veenmossen.

Mossen onderscheiden zich van andere sporeplanten door hun levenscyclus: uit een spore (rechtsonder) groeit een voorkiem (protonema)(onder) en daaruit een mosplantje (de gametofyt)(centraal), waarop vervolgens een sporekapsel (sporofyt) gaat groeien. Uit het sporekapsel komen de sporen.

dinsdag 17 november 2009

zaterdag 7 november

Excursie park Langerhuizen 7 november 2009


Regen, regen en nog wat meer water. Deze zware depressie trok over ons heen, maar had gelukkig geen weerslag op de groep. Vol goede moed en met een opperbest humeur begonnen we aan de excursie. De eerste 20 minuten werden verzorgd door Jaap, Femke en Birgit. Zij vertelden ons achtereenvolgens iets over de ontstaansgeschiedenis, de bolgewassen, het ecologische beheer en de paddenstoelen. Daarna namen Wies, Carla en Bas de rondleiding over en vertelden ons over de ecologie en rondleidingtechnieken.

Na een rommelig begin neemt Jaap het woord en vertelt over de ontstaansgeschiedenis. Het park is aangelegd in 1960 en was eigendom van meneer Muntz die er woonde in boerderij Langerhuizen. Hij heeft er allemaal populieren laten planten, met als doel deze bomen na ongeveer 40 jaar te kappen. Het moest dus een kapbos worden. Jaren later is de boerderij verdwenen en de grond voor veel geld verkocht.
Dit parkje staat vooral bekend om haar vele knol –en bolgewassen. Zo vind je hier veel narcissen, wilde hyacinten, sneeuwklokken, holwortel, daslook, herfststijlloos en paarse schubwortel. De paarse schubwortel is na de sneeuwklokken een van de vroegste bloeiers in ons land. Eind februari – begin maart is de plant al te zien. De prachtige fel paarse bloemen zijn een echte blikvanger en kunnen enorme plakkaten vormen. De plant heeft geen blad, maar witte schubben onderaan de stengel. De paarse schubwortel is een parasiet die vooral huist op de wortels van populier en wilg.

Femke legt ons uit hoe en waarom ‘slechte’ bomen worden geringd en niet gekapt. De boom rond wordt er een stuk bast weggezaagd, waardoor de sapstroom stopt. Hierdoor sterft de boom sneller af en krijg je “staand dood hout”. Dit is vooral goed voor allerlei insecten, paddenstoelen en spechten. De spechtengaten zijn dan ook volop aanwezig en duidelijk waarneembaar. Er is niet alleen “staand dood hout”, maar ook “liggend dood hout”. Dit zijn gekapte bomen waarvan men de stam op de grond laat liggen. Dit trekt weer andere insecten en paddenstoelen dan “staand dood hout”. Na het wegtrekken van een stukje bast treffen we hier spinnetjes, pissebedden en een bruine kikker aan. Het snoeihout(takken) en de dode takken worden gebruikt voor het maken van takkenrillen. Deze zijn uitermate geschikt voor kleine zoogdieren, zoals bunzing, hermelijn, egels en muizen. Maar niet alleen voor kleine zoogdieren zijn de takkenrillen belangrijk, ook paddenstoelen, insecten en zangvogels hebben er baat bij.

Onder de bezielende leiding van Birgit worden we door de bosjes meegesleurd opzoek naar paddenstoelen. Van reuzenbovist tot rode meniezwam en van houtskoolzwam tot gekrulde aardster, ze weet ze allemaal te vinden. Op een staande dode berk zit een tonderzwam, dat er elk jaar een ring bij krijgt. Op een liggende dode berk treffen we zwavelkopjes aan met hun mooie geel, grauwe hoed. Verderop in een takkenril ligt een tak van een vlier en, u raadt het al, natuurlijk vinden we hier het judasoor. Op de grond vinden we de hertenzwam en niet ver daarvandaan ligt het gewei(zwammetje).

Na de iets uitgelopen, maar zeer leuke rondleiding van dit trio was de beurt aan het volgende trio. Wies, Carla en Bas stonden te popelen om het over te nemen en staken direct van wal. Bas legde een rondleidingtechniek aan de hand van bladeren uit. Zo is het handiger om in plaats van meteen alles te benoemen eerst verschillende bladeren te verzamelen, even wachten op een goed moment en dan pas de verschillen laten zien. Het verschil in grootte, de kleurverschillen en verschillende soorten vraat zijn dan goed zichtbaar. Bij vraat bijvoorbeeld kun je bij het ene blad goed zien dat het is aangevreten door een rups en het andere blad door een kever. Een rups eet het hele blad op, omdat er kalk in de nerven zit en de rups dit nodig heeft. Een kever heeft dat niet nodig en laat daarom een geraamte over(de nerven van het blad). Door het op deze manier uit te leggen wordt het overzichtelijker en makkelijker voor iedereen. Verder is het erg belangrijk dat je met je gezicht naar je publiek toe gaat staan als je praat.
Even verderop staat Carla een groepje bomen te aaien. Raar, is het eerste dat bij mij opkomt, maar nadat ik het zelf ook gedaan heb toch iets minder raar. Je kunt goed voelen dat de berkenstam warmer is dan die van de wilg en haagbeuk. Bij de berk zit er een luchtlaag in de bast die de boom in de warme periodes koel houdt en in de koude periodes warm houdt.
Bas staat alweer klaar met een blad. Er zit een gele vlek met een bruin kloddertje in het midden van een groen blad. Rara, hoe komt dat? Een insect heeft een eitje afgezet in het blad. Vervolgens eet de larve het bladgroen op. Er ontstaat een gele vlek. En net zoals bij mensen moet die larve ook weleens een poepje doen. Gevolg:bruin kloddertje.
Langs het pad ligt nog een dode stam. Nadat we de bast verwijderd hebben, kun je goed zien dat dood hout leeft. Er verschijnen tientallen pissebedden, bruine kikkers, spinnen en er zijn gangen te zien van rupsen.

En dan volgt het hoogtepunt van de ochtend. We komen er achter dat Marit net jarig is geweest. Heel voorzichtig wordt er een lang zal ze leven ingezet. Al snel slaat het over op de rest van de groep en even later staat iedereen uit volle borst mee te zingen. Hoera, hoera,hoera. Wat een geluid. Alleen de halsbandparkieten krijsen harder. Gefeliciteerd met je 26ste verjaardag.

Na deze prachtige zang liepen we terug over de oude veendijk. Net als in Wilnis is deze niet zo stevig meer en staat eigenlijk op instorten. Onderweg kwamen we nog een paar grote zilverabelen, spierwitte champignons, groene halsbandparkieten en een roodborst tegen. Rond een uur of twaalf was de excursie al afgelopen. Ondanks dat deze iets korter was, was het zeer leerzaam.

Anthony Reijersen van Buuren
16 november 2009

woensdag 11 november 2009

zaterdag 7 november

Locatie: park Langerhuize
Thema: Ecologie onder leiding van Wies, Carla en Bas

Op deze regenachtige zaterdagochtend ontmoeten wij elkaar bij de ingang van park Langerhuize.
Femke, Birgit en Jaap hebben zich voorbereid om een en ander te vertellen over dit gebied.

Jaap licht de ontstaansgeschiedenis van het gebied toe en vertelt over bijzondere planten die hier in dit seizoen alleen nog ondergronds aanwezig zijn. Er staan veel sneeuwklokjes, wilde hyacinthen en paarse schubwortel. De schubwortel parasiteert op wortels van de populier en de wilg, soms op wortels van de els en de hazelaar.
Jaap heeft een knol van de herfststijlloos met uitlopers meegenomen. Herfststijlloos heeft geen blad, de lila bloem lijkt op een krokus en komt rechtstreeks uit de knol. In het begin van de herfst zijn deze bloemen hier te vinden.

Femke laat zien dat sommige bomen “geringd” zijn. In de bast is circulair een verwonding aangebracht om toch al ten dode opgeschreven bomen versneld te laten afsterven. De dode boom levert goede mogelijkheden voor vogels zoals de specht en ook voor insecten. De sporen van deze Verslag van de IVN Natuurgidsencursusexcursie op 7 november 2009
dieren zijn goed waarneembaar.
Ook vertelt zij over de hier en daar aangebrachte takkenrillen die een goede schuilplaats vormen voor bijvoorbeeld de bunzing, egel, hermelijn en insecten. De aanwezigheid van insecten is weer van nut voor de vogels.

Birgit heeft zich toegelegd op de paddenstoelensoorten. De soorten die wij gezien hebben zijn o.a.
de hertenzwam, bundelmycena, reuzenbovist, zwavelkop, judasoor, taailing en de gekraagde aardster. Op oud hout groeien het geweizwammetje, de rode meniezwam, het oranje knoopje en houtskoolzwammetjes.

De bedoeling van de ochtend is om ons bezig te houden met de ecologie van het landschap.
Carla heeft graafgereedschap, loeppotjes en dergelijke meegenomen. Door de barre weersomstandigheden hebben wij ons beperkt tot het vangen van een miljoenpoot en een Aziatisch lieveheersbeestje met witte wangplaten.

Bas vertelt over de invloed van het licht op de bomen. De natuur ontmengt de kleuren van het blad: het donkere groen wordt onttrokken aan het blad en wordt via het steeltje terug in het takje gebracht. Daar wordt de energie opgeslagen.
De vraatsporen van insecten zien we in een aantal boombladeren. De nerven van bladeren hebben een hoog kalkgehalte. Kevers houden hier niet van en knagen rondom de nerven. Slakken en rupsen daarentegen eten vanaf de rand van het blad inclusief de nerven.
Larfjes laten vaak een netwerkje in het blad staan.
Er staan drie grote bomen langs het pad, een wilg, een berk en een haagbeuk. Als we gevoeld hebben aan de respectievelijke stammen komen we tot de conclusie dat de stam van de berk het warmst aanvoelt. Dat komt door het luchtlaagje, een soort bontjasje, dat tussen de bast en de stam zit. Daarna volgt de wilg, die een dikke onregelmatige bast heeft. De gladde buitenkant van de haagbeuk voelt ijskoud aan.

Aan het eind van het pad staan we op de Veendijk die bezig is langzaam in te storten net zoals in Wilnis niet zo lang geleden is gebeurd.
We zien daar nog een aantal bijzonderheden zoals:
zwarte nachtschade
peterselievlier
reuzenzwam
stijfselzwam
een uilenkast
een groene kikker die onder schors van een oude gevelde boom bivakkeert

Verder hebben we verscheidene bruine kikkertjes gezien en restantjes van een rivierkreeftje, waarschijnlijk door een reiger of kraai gepakt.

Vogels: roodborst en veel luidruchtige halsbandparkieten.

Iets eerder dan gewoonlijk is de excursie beëindigd. In min of meer deplorabele toestand is de ene helft van de groep rillerig naar huis gegaan. De anderen hebben bij Carla thuis nog koffie gedronken.
Ondanks de weersomstandigheden was het vandaag alweer de moeite waard en viel er veel te leren.

Ida Oosterhof
7 november 2009