Excursie Meanderpark, 8 mei 2010 Annemarie
Het is een beetje een regenachtige ochtend, niet zo warm, maar wel met een voorjaarsgevoel in de lucht. Wijnanda en Erik beginnen de excursie, met een praktische opdracht over waterkwaliteit. Waterkwaliteit is onder andere afhankelijk van zuurstofgehalte, lichtinval, helderheid, stroming, zuurgraad (pH), voedingsstoffen, bodemsoort, oevers en waterplanten. Het is de bedoeling dat we aan de hand van (ongewervelde) waterdieren (macrofauna) die voorkomen in het water gaan bepalen hoe de waterkwaliteit is, of het water zuurstofrijk is of niet.
Als het water zuurstofrijk is, komen er kokerjuffers, libellenlarven, kevertjes, schaatsenrijders en groene watermijt in voor. Deze soorten nemen zuurstof direct uit het water op en kunnen daarom alleen in zuurstofrijk water overleven. Als het water maar matig zuurstofrijk is, dan zul je deze soorten niet aantreffen, maar wel o.a. waterslakken en waterpissebedden. In weinig zuurstofrijk water zitten steekmuggen, slingerwormen (tubifexen) en rode watermijten.
Wijnanda vertelt over ademhalingstechnieken van verschillende waterdiertjes. De waterpissebed heeft bijvoorbeeld kieuwen in z’n poten. De waterspin spint een luchtbel in en neemt die onderwater. Het schrijvertje heeft lucht onder z’n dekschilden. Muggenlarven gebruiken een adembuis.
Omdat sommige waterdiertjes steken (bootsmannetjes, libellenlarven) is het aan te raden om ze niet met de hand te pakken. We hebben op verschillende plaatsen monsters genomen met schepnetjes en toen uitgezocht welke soorten zich daar bevonden.
Als materiaal hebben we o.a. schepnetjes, emmers, deksels, theezeefjes, doorzichtige plastic bekers en loepbakjes gebruikt. Schepnetjes kun je kopen bij tuincentra of dierenwinkels. Een tip van Carla is om oude tennisrackets te sparen en de snaren eruit te halen, en daar een stuk hor in te doen: dat is steviger dan een net en daardoor geschikt voor excursies met kinderen.
We hebben onder andere de volgende soorten gevonden: watervlooien, zoetwaterpissebedden, steekmuglarven, rattenstaartlarven, watermijten, bootsmannetjes, bloedzuigers, tubifexen, rode muggenlarven, een waterslak, waterslakkeneitjes en haftelarven. Dit betekent dus dat het water in het Meanderpark matig zuurstofrijk is, ook al zijn er weinig waterplanten.
Hierna zijn we een rondje door het park gelopen en hebben daar o.a. de volgende soorten aangetroffen: gele pijpbloem, wilde hyacint (paars of wit, roze zijn bastaard), heelkruid, gagel, schijnaardbei, kleefkruid, wilgenroosje, hangende zegge, daslook, schaduwkruiskruid, kardinaalsmuts (met stippelmot), tonderzwam, stengelloze sleutelbloem, veldesdoorn, paarbladig goudveil, kruipend zenegroen, moerasspirea (heel typisch grote en kleine blaadjes afgewisseld), heermoes, onze-lieve-vrouwe-bedstro, ooievaarsbek, vossenstaart, vrouwenmantel, ratelaar, knolsteenbreek, moeraswolfsmelk, echte koekoeksbloem, appelbes, aardbei, schaafstro (voor het polijsten van nagels en zilveren lepeltjes), aronskelk, gele dovenetel, kamperfoelie, prachtschubwortel, voorjaarshelmkruid, voorjaarszonnebloem, muskuskruid, lelietjes van dalen, witte dovenetel, brem, zuurbes, groot hoefblad en kornoelje. Het vogeltje dat zich had verstopt onder overhangende zegge bleek een waterhoentje te zijn.
maandag 10 mei 2010
zaterdag 8 mei
MEANDERPARK 8 mei, Joanne
Vanaf het huis van Carla lopen we door het parkje met Abeelbomen, met de karakteristieke ogen en mondjes in de stam.
Bij de ingang van het Meanderpark zien we geborgen tussen enkele boomwortels een pracht exemplaar schubwortel.
Van de vorige excursie herinner ik me de zuurbes op een hoekje, Carla vertelde erover dat als je 3 keer op de geopende gele bloemetjes tikte het bloemetje dicht gaat (heeft dit ook iets met ins ecten en bevruchting te maken?)
De volop aanwezige Aronskelk heeft ook een intrigerend bevruchtingssysteem, “de vingervormige kolf wordt omgeven door een schutblad, dat zich van onderen vernauwt. Onder die vernauwing bevindt zich een buikige ruimte die de ketel wordt genoemd. In die ketel, bevinden zich de mannelijke en de vrouwelijke bloemen aan de basis van de kolf. De ketel wordt afgesloten door stugge, plantaardige 'haren'. Op de dag dat de plant gaat bloeien, begint de kolf te stinken naar rottend vlees. Het produceren van die stank kost energie, waardoor de temperatuur in de ketel oploopt. Insecten worden aangetrokken door de aasgeur en banen zich een weg naar de ketel langs de haren die op de heenweg wel meebuigen, maar op de terugweg niet. Het insect zit in de val. Wild fladdert het in het rond en bevrucht en passant de vrouwelijke bloemen. Na de bevruchting verslapt de bloem en kunnen de insekten ontsnappen, op weg naar de volgende val.”
Heelkruid, waarover Carla de smakelijke anekdote vertelt dat er vroeger zulke wondehelend eigenschappen aan werden toegeschreven dat als je hutspot met stoofvlees at, door heelkruid de stukken vlees weer aan elkaar groeide.
De roze boshyacinten zijn gebastadeerden van de blauwe en witte boshyacinten, daarom proberen ze de witte en roze te bestrijden.
Waterleven
Wijnanda en Erik zijn beladen met emmers en schepnetten, duidelijk hebben zij een doortimmerd ochtend programma voor ons in petto.
Voor waterleven is gezond water nodig, dat wil zegen :
Helder water
Oeverberoeiing
Bodemplanten
Waterplanten
Licht
In het Meanderpark is het water helder, de bodem is zand/slibachtig, er is weinig stroom, de beschoeiing bestaat oa uit moerasspirea, typisch stadswater. In ondiepe sloten duidt kroos op schoonwater en in openwater de aanwezigheid van alg.
Wijnanda vertelt over hoe het waterleven aan zuurstof komt:
De waterpissebed ademt door kieuwen in de achterpoten
De waterspin weeft een web om een luchtbel en neemt die mee naar beneden
De larve van de steekmug heeft een ademkanaal, hij hangt aan de wateroppervlakte.
NB Schrijvertjes hebben vette poten, daarom is fosfaat een vijand van het schrijvertje.
Een korte demo met het schepnet volgt, niet scheppen met grote halen want dat roept vlucht gedrag op, maar met kleine open en neer gaande haaltjes scheppen. We gaan op jacht gewapend met een overzichtskaart van veel voorkomende waterbeestjes. Hieronder de fascinerende buit :
Hafte larve van de eendagsvlieg in verschillende stadia
Watervlo
Kreeftjes
Rode spin
Bootsmannetjes
Watermijt
Bootsmannetje
Watermijt
Bloedzuiger, Carla laat zien hoe je met dit diertje kinderen kan boeien.
Slakkeneieren, slijmdruppels waar heel veel mini slakjes in groeien, volgens Erik prachtig om onder de microscoop te bekijken.
Larve van de steenmug met waaierende kieuwen waar hij door ademt.
Waterpissebed, Erik vertelt dat waterpissebedden op Antartica wel 1 meter groot worden.
Watervlooien
Vlokreeft
Vanaf het huis van Carla lopen we door het parkje met Abeelbomen, met de karakteristieke ogen en mondjes in de stam.
Bij de ingang van het Meanderpark zien we geborgen tussen enkele boomwortels een pracht exemplaar schubwortel.
Van de vorige excursie herinner ik me de zuurbes op een hoekje, Carla vertelde erover dat als je 3 keer op de geopende gele bloemetjes tikte het bloemetje dicht gaat (heeft dit ook iets met ins ecten en bevruchting te maken?)
De volop aanwezige Aronskelk heeft ook een intrigerend bevruchtingssysteem, “de vingervormige kolf wordt omgeven door een schutblad, dat zich van onderen vernauwt. Onder die vernauwing bevindt zich een buikige ruimte die de ketel wordt genoemd. In die ketel, bevinden zich de mannelijke en de vrouwelijke bloemen aan de basis van de kolf. De ketel wordt afgesloten door stugge, plantaardige 'haren'. Op de dag dat de plant gaat bloeien, begint de kolf te stinken naar rottend vlees. Het produceren van die stank kost energie, waardoor de temperatuur in de ketel oploopt. Insecten worden aangetrokken door de aasgeur en banen zich een weg naar de ketel langs de haren die op de heenweg wel meebuigen, maar op de terugweg niet. Het insect zit in de val. Wild fladdert het in het rond en bevrucht en passant de vrouwelijke bloemen. Na de bevruchting verslapt de bloem en kunnen de insekten ontsnappen, op weg naar de volgende val.”
Heelkruid, waarover Carla de smakelijke anekdote vertelt dat er vroeger zulke wondehelend eigenschappen aan werden toegeschreven dat als je hutspot met stoofvlees at, door heelkruid de stukken vlees weer aan elkaar groeide.
De roze boshyacinten zijn gebastadeerden van de blauwe en witte boshyacinten, daarom proberen ze de witte en roze te bestrijden.
Waterleven
Wijnanda en Erik zijn beladen met emmers en schepnetten, duidelijk hebben zij een doortimmerd ochtend programma voor ons in petto.
Voor waterleven is gezond water nodig, dat wil zegen :
Helder water
Oeverberoeiing
Bodemplanten
Waterplanten
Licht
In het Meanderpark is het water helder, de bodem is zand/slibachtig, er is weinig stroom, de beschoeiing bestaat oa uit moerasspirea, typisch stadswater. In ondiepe sloten duidt kroos op schoonwater en in openwater de aanwezigheid van alg.
Wijnanda vertelt over hoe het waterleven aan zuurstof komt:
De waterpissebed ademt door kieuwen in de achterpoten
De waterspin weeft een web om een luchtbel en neemt die mee naar beneden
De larve van de steekmug heeft een ademkanaal, hij hangt aan de wateroppervlakte.
NB Schrijvertjes hebben vette poten, daarom is fosfaat een vijand van het schrijvertje.
Een korte demo met het schepnet volgt, niet scheppen met grote halen want dat roept vlucht gedrag op, maar met kleine open en neer gaande haaltjes scheppen. We gaan op jacht gewapend met een overzichtskaart van veel voorkomende waterbeestjes. Hieronder de fascinerende buit :
Hafte larve van de eendagsvlieg in verschillende stadia
Watervlo
Kreeftjes
Rode spin
Bootsmannetjes
Watermijt
Bootsmannetje
Watermijt
Bloedzuiger, Carla laat zien hoe je met dit diertje kinderen kan boeien.
Slakkeneieren, slijmdruppels waar heel veel mini slakjes in groeien, volgens Erik prachtig om onder de microscoop te bekijken.
Larve van de steenmug met waaierende kieuwen waar hij door ademt.
Waterpissebed, Erik vertelt dat waterpissebedden op Antartica wel 1 meter groot worden.
Watervlooien
Vlokreeft
maandag 3 mei 2010
zaterdag 24 april 2010
EXCURSIE 24 APRIL 2010
Verslag van Ron Hamming
Het was vandaag de bedoeling, dat ……en Renske Hesselmann ons een rondleiding over de Kwekerij bij de Braak zouden geven. Renske moest het echter alleen doen, omdat………….. verhinderd was. Gelukkig had Anthonie de sleutel bij zich.
We kwamen voorlopig echter niet aan de kwekerij toe. Renske stelde ons de gewetensvraag wat een plant voor ons betekent. Omdat de antwoorden nogal aarzelend kwamen, gaf ze enkele voorzetten. Planten leveren ons voedsel, kleding, verwarming etc. Ze stelde, dat leven op aarde niet mogelijk was en wij er zonder hen niet zouden zijn. Jeanine: “…niet in deze vorm…” Dan stelt Renske de vraag waar planten vandaan komen. Oorspronkelijk zoals alle leven uit het water, waarna ze in de loop van de evolutie het land bezetten. Renske wil er echter niet te diep op ingaan. Ze heeft een en ander op papier gezet, zodat we het achteraf kunnen nalezen.
Ze gaat in op de ontstaansgeschiedenis in het park en komt hier gedurende de hele excursie op terug.
Rond 1600 ontstond er door een doorbraak vanuit het Nieuwe Meer een veenplas. Het is eeuwenlang een moerasgebied gebleven. Toen de gemeente besloot, het gebied te bebouwen, wilde men het tot een wandelpark omvormen. Men gaf de tuinarchitect Broerse opdracht om dit park te ontwikkelen. Deze had echter opvattingen over groenvoorzieningen die enigszins afweken van de toen heersende mode. Hij moest ook werken met de omstandigheden zoals hij die aantrof. De Engelse landschapsstijl met cultivars en exoten was hier niet goed toepasbaar. De grondsoort (veen) was op zichzelf niet geschikt en veel te nat. Hij vond ook dat rekening met de historie van het gebied moest worden gehouden en het park daarom een natuurlijk karakter moest krijgen. Grote delen van het park, met hun rietoevers en aangelegde rietkraggen, werden min of meer in hun oude staat bewaard. De plas werd uitgebaggerd en de ongeveer 10 kubieke meter bagger werd gebruikt om het land op te hogen. Met boomstammetjes werden paden aangelegd. Als men erover loopt veert de grond nog steeds een beetje, want het blijft een zachte ondergrond. Deze bovengenoemde werkzaamheden werden in de oorlogsjaren handmatig verricht.
Er rezen echter problemen met de beplanting. Broerse wilde b.v. berken en elzen laten planten, maar de elders gekweekte bomen sloegen niet aan. De natuur laat zich niet dwingen. Broerse wilde ook eigenlijk liever wilde planten. Onder leiding van Koos Landwehr zijn door het hele land zaden en stekken verzameld. Met dit uitgangsmateriaal begon men op de nieuwe kwekerij plantmateriaal voor het park te kweken. Men moest echter lange tijd met grondsoor-ten en plantmateriaal experimenteren om de plantensoorten aan de lokale bodemomstandig-heden te laten wennen.
Na Renskes inleiding begeven we ons op het pad richting de kwekerij. We blijven echter zo vaak bij de begroeiing rond het pad stilstaan dat we deze voorlopig niet bereiken. We treffen o.a. dotterbloemen, enkele pinksterbloemen, bosanenemonen, verschillende soorten dove-netel, gevlekte aronskelken, witte klaverzuring, blauwe knoop (rozetten), moeslook, eenbes, (amandel)wolfsmelk, kievitsbloemenvarens (stekelvaren, moerasvaren?), zeggen (3-kantige stengel!), mossen en korstmossen aan. Door het hele park treft men hier en daar orchideeensoorten aan (gevlekte orchis, rietorchis, wespenorchis?).
Verder kleine bomen en struiken als wilgen, berken, krentenboompjes en gagel. Bij sommige houtige gewassen gaat Renske dieper op de zaken in. Rond de wortels van de wilgen vindt men veel maartse viooltjes. Dit plantje, dat geen bladeren heeft, is voor zijn voedsel afhankelijk van ondermeer wilgen en berken en parasiteert op de wortels. Zij berokkenen hun gastheer echter geen schade, omdat ze deze a.h.w. enkel gebruiken om op te bloeien en zaad te vormen en weer wegkwijnen tegen de tijd dat de gastheer zelf in bloei komt en aan zaadvorming begint. Volgens verschillende mensen zijn er wel meer maartse viooltjes dan vorig jaar. Renske houdt verder een kort verhaal over de gagel, dat voor de tijd dat hop werd toegevoegd werd gebruikt om meer smaak aan bier te geven. Bij veelvuldig gebruik is gagel echter giftig, zodat men uiteindelijk is gestopt met de toevoeging ervan aan bier.
Renske gaat tussendoor in op allerlei verdedigingsmechanismen die planten gebruiken om vraat tegen te gaan. Daar ze niet zoals dieren kunnen vluchten, hebben ze b.v. stekels, netels of giftige stoffen. Ook gallen zijn een soort verdediging tegen insecten, waarbij de larve van het insect eigenlijk wordt geisoleerd zodat hij de plant verder niet kan schaden.
We komen eindelijk bij de kwekerij aan. De deelnemers van de excursie verspreiden zich al snel over het terrein. Renske en Anthonie geven voor een aantal mensen uitleg bij de eerste bakken bij het hek met lavendel- en dopheidestekjes. Vroeger plantte men deze op open grond, maar men is hiervan teruggekomen: bij grote stukken zwarte grond is het voor het publiek is niet duidelijk dat het om beplanting gaat, men ziet het vaak voor “onkruid” aan. Bovendien is er veel verlies. Daarom laat men de stekjes tegenwoordig anderhalf jaar opkweken bij een kwekerij in de Flevopolder, waarna men de opgekweekte planten, die dan aanzienlijk groter zijn, ter plekke plant. Het groen “kleedt” dan voor het oog meer. Voor 100 vierkante meter heeft men b.v. 5000 stekjes nodig.
De prijs van het opkweken valt overigens mee, omdat de betreffende kwekerij volgens Anthonie niet direct een sociale werkplaats is, maar het personeel grotendeels uit (licht) gehandicapten bestaat die dit soort werkzaamheden als dagactiviteit uitvoeren.
We verzamelen ons rond enkele rijen met grote ronde kweekbakken van steen, waarin a.h.w. landschapstypen in oplopende stadia van verlanding worden nagebootst. We blijven hier uitgebreid bij staan en verdiepen ons in de plantjes. Pas in latere stadia komen hogere, zaadvormende planten (b.v. zeggen en grassen, dophei, dotterbloem, kievitsbloem) aan de orde. Verschillende deelnemers blijven lang studeren aan allerlei soorten mossen en korstmossen. Ook de wolfsklauw, een sporenplant, wekt interesse.
De deelnemers hebben zich inmiddels over het hele terrein verspreid. De schrijver blijft min of meer in de buurt van Renske en Anthonie, maar zijn aandacht wordt vooral getrokken door een “rotstuin”, bestaande uit stapels tegels/ dakpannen van leisteen (?), waarop zich verschillende sedumsoorten en andere rotsplanten hebben gehecht. Daarna loopt hij door naar enkele bekistingen met kweekplanten, waarover zwart gaas is aangebracht, tegen de vogels, maar ook om deze schaduwminnende kweekplanten tegen de zon te beschermen.
Inmiddels is Leo aangekomen, met een stevige kiespijn. Hij verzorgt de eerste groepsactiviteit voor vandaag. Op een gegeven moment komen alle deelnemers samen bij het hek van de kwekerij en gaat naar het bankje bij de eerste brug. Hij deelt tassen van Waternet uit met grote spiegels, opschrijfboekjes en pennen. Er moeten groepjes van twee worden gevormd. Deze lopen via de twee bruggetjes over het pad. De ene houdt de spiegel b.v. op buikhoogte naar boven en vertelt de ander wat hij boven zich via de spiegel waarneemt. Deze noteert het in zijn opschrijfboekje. Na 10 minuten wisselen de twee mensen van het groepje, na het fluitje van Leo. Nu wordt de spiegel echter boven het hoofd gehouden en geeft de ander aan de ene door wat hij via de spiegel onder zich ziet. Ook dit wordt genoteerd, waarna alle spullen (waaronder de boekjes, die Leo voor zijn verslag zal gebruiken) aan Leo wordt geretourneerd.
Na afloop vindt er een korte evaluatie plaats. De algemene conclusie is (volgens de schrijver) dat de grondidee aardig is, maar dat er op deze wijze veiligheidsproblemen kunnen ontstaan als men, zoals de bedoeling is, deze activiteit voor kinderen organiseert. De kinderen lopen rond met een grote spiegel en kunnen een keer struikelen. Daarom heeft Leo het ook zo georganiseerd dat er altijd iemand naast degene met de spiegel moet lopen om hem/ haar zonodig te waarschuwen, maar het blijft een aandachtspunt. Het de bedoeling dat de spiegel in een houten lijst worden gevat, zodat de spiegel veiliger en voor de kinderen beter hanteerbaar is. Leo is hier echter door een te korte voorbereidingstijd nog niet aan toegekomen.
De waarnemingen via de naar boven gerichte spiegel worden als geslaagd ervaren. Men zet echter wel vraagtekens naar de zin van een naar onder gerichte spiegel, daar de deelnemers aan de activiteit ook zonder spiegel naar de grond of op ooghoogte kunnen kijken. Een bijkomend probleem is, dat verschillende mensen met de spiegel boven zich gedesorienteerd raken. Ook het gewicht van de spiegels kan voor kinderen een probleem vormen. Leo zal verder nadenken over aanpassingen van de uitvoering van de activiteit.
Inmiddels is Alex aangekomen, in vol ornaat. We verzamelen ons op het tweede bruggetje, waarop hij ons het een en ander zal vertellen over de visstand in deze wateren. Het behoort tot het z.g. snoek/ ruisvoorn type (met verder de aanwezigheid van de modderkruiper en naar verluidt ook de karper); de waterkwaliteit is redelijk. De diepte is ongeveer 80 cm, met een laag bagger van een meter. Er moet dan ook volgens Anthonie een keer worden gebaggerd.
Er wordt dieper ingegaan op de snoek. Deze houdt zich vaak schuil tussen de oeverbegroei-ing, onder holle kanten en overhangende takken. Ook aan de kop van kruisende waterwegen komt men hem wel tegen. Hij jaagt vanuit de begroeiing op voorbijkomende prooien, waaronder jong broed dat zich tussen de oeverplanten ophoudt. Daarbij eet de snoek ook jonge exemplaren van de eigen soort. In andere delen van de plas vindt men waterplanten als gedoornd hoornblad en waterpest.
Men komt over de winter te spreken, toen het wekenlang vroor. Zolang er voldoende licht in het water valt is een laag ijs niet zo’n probleem voor het onderwaterleven, maar deze ont-stonden toen er herhaaldelijk een laag sneeuw viel. Hierdoor drong het daglicht niet door tot in het water, waardoor de fotosynthese stilviel en er te weinig zuurstof werd geproduceerd. Er zijn dan ook veel vissen doodgegaan. Er moesten in het gehele Amsterdamse Bos ruim 1800 dode karpers worden verwijderd. Zelfs de aal heeft de winterse omstandigheden meestal niet overleefd.
In principe grijpen de beheerders van de Braak niet in de natuur in. Onder deze omstandig-heden besloten ze echter een grote wak bij het bruggetje aan te brengen, zodat de vogels (reigers, visdiefjes, ijsvogels) bij hun voedsel konden. Het vroor echter zo streng en langdurig, dat het wak binnen afzienbare tijd grotendeels dichtvroor. Alleen de grotere vogels hielden het nog enigszins open.
Na het verhaal van Alex is de excursie eigenlijk afgelopen, maar op voorstel van Anthonie besluiten we dit keer door te lopen naar de z.g. “Doorbraak”, waar we bij vorige excursies niet aan toegekomen zijn. Het park dat we tegenwoordig “De Braak” noemen en dat in de oorlogsjaren aangelegd werd, werd aan het eind van de oorlog met een stuk uitgebreid, dat een ander karakter heeft, alleen al omdat Broerse hier wel exoten heeft laten planten.
Verslag van Ron Hamming
Het was vandaag de bedoeling, dat ……en Renske Hesselmann ons een rondleiding over de Kwekerij bij de Braak zouden geven. Renske moest het echter alleen doen, omdat………….. verhinderd was. Gelukkig had Anthonie de sleutel bij zich.
We kwamen voorlopig echter niet aan de kwekerij toe. Renske stelde ons de gewetensvraag wat een plant voor ons betekent. Omdat de antwoorden nogal aarzelend kwamen, gaf ze enkele voorzetten. Planten leveren ons voedsel, kleding, verwarming etc. Ze stelde, dat leven op aarde niet mogelijk was en wij er zonder hen niet zouden zijn. Jeanine: “…niet in deze vorm…” Dan stelt Renske de vraag waar planten vandaan komen. Oorspronkelijk zoals alle leven uit het water, waarna ze in de loop van de evolutie het land bezetten. Renske wil er echter niet te diep op ingaan. Ze heeft een en ander op papier gezet, zodat we het achteraf kunnen nalezen.
Ze gaat in op de ontstaansgeschiedenis in het park en komt hier gedurende de hele excursie op terug.
Rond 1600 ontstond er door een doorbraak vanuit het Nieuwe Meer een veenplas. Het is eeuwenlang een moerasgebied gebleven. Toen de gemeente besloot, het gebied te bebouwen, wilde men het tot een wandelpark omvormen. Men gaf de tuinarchitect Broerse opdracht om dit park te ontwikkelen. Deze had echter opvattingen over groenvoorzieningen die enigszins afweken van de toen heersende mode. Hij moest ook werken met de omstandigheden zoals hij die aantrof. De Engelse landschapsstijl met cultivars en exoten was hier niet goed toepasbaar. De grondsoort (veen) was op zichzelf niet geschikt en veel te nat. Hij vond ook dat rekening met de historie van het gebied moest worden gehouden en het park daarom een natuurlijk karakter moest krijgen. Grote delen van het park, met hun rietoevers en aangelegde rietkraggen, werden min of meer in hun oude staat bewaard. De plas werd uitgebaggerd en de ongeveer 10 kubieke meter bagger werd gebruikt om het land op te hogen. Met boomstammetjes werden paden aangelegd. Als men erover loopt veert de grond nog steeds een beetje, want het blijft een zachte ondergrond. Deze bovengenoemde werkzaamheden werden in de oorlogsjaren handmatig verricht.
Er rezen echter problemen met de beplanting. Broerse wilde b.v. berken en elzen laten planten, maar de elders gekweekte bomen sloegen niet aan. De natuur laat zich niet dwingen. Broerse wilde ook eigenlijk liever wilde planten. Onder leiding van Koos Landwehr zijn door het hele land zaden en stekken verzameld. Met dit uitgangsmateriaal begon men op de nieuwe kwekerij plantmateriaal voor het park te kweken. Men moest echter lange tijd met grondsoor-ten en plantmateriaal experimenteren om de plantensoorten aan de lokale bodemomstandig-heden te laten wennen.
Na Renskes inleiding begeven we ons op het pad richting de kwekerij. We blijven echter zo vaak bij de begroeiing rond het pad stilstaan dat we deze voorlopig niet bereiken. We treffen o.a. dotterbloemen, enkele pinksterbloemen, bosanenemonen, verschillende soorten dove-netel, gevlekte aronskelken, witte klaverzuring, blauwe knoop (rozetten), moeslook, eenbes, (amandel)wolfsmelk, kievitsbloemenvarens (stekelvaren, moerasvaren?), zeggen (3-kantige stengel!), mossen en korstmossen aan. Door het hele park treft men hier en daar orchideeensoorten aan (gevlekte orchis, rietorchis, wespenorchis?).
Verder kleine bomen en struiken als wilgen, berken, krentenboompjes en gagel. Bij sommige houtige gewassen gaat Renske dieper op de zaken in. Rond de wortels van de wilgen vindt men veel maartse viooltjes. Dit plantje, dat geen bladeren heeft, is voor zijn voedsel afhankelijk van ondermeer wilgen en berken en parasiteert op de wortels. Zij berokkenen hun gastheer echter geen schade, omdat ze deze a.h.w. enkel gebruiken om op te bloeien en zaad te vormen en weer wegkwijnen tegen de tijd dat de gastheer zelf in bloei komt en aan zaadvorming begint. Volgens verschillende mensen zijn er wel meer maartse viooltjes dan vorig jaar. Renske houdt verder een kort verhaal over de gagel, dat voor de tijd dat hop werd toegevoegd werd gebruikt om meer smaak aan bier te geven. Bij veelvuldig gebruik is gagel echter giftig, zodat men uiteindelijk is gestopt met de toevoeging ervan aan bier.
Renske gaat tussendoor in op allerlei verdedigingsmechanismen die planten gebruiken om vraat tegen te gaan. Daar ze niet zoals dieren kunnen vluchten, hebben ze b.v. stekels, netels of giftige stoffen. Ook gallen zijn een soort verdediging tegen insecten, waarbij de larve van het insect eigenlijk wordt geisoleerd zodat hij de plant verder niet kan schaden.
We komen eindelijk bij de kwekerij aan. De deelnemers van de excursie verspreiden zich al snel over het terrein. Renske en Anthonie geven voor een aantal mensen uitleg bij de eerste bakken bij het hek met lavendel- en dopheidestekjes. Vroeger plantte men deze op open grond, maar men is hiervan teruggekomen: bij grote stukken zwarte grond is het voor het publiek is niet duidelijk dat het om beplanting gaat, men ziet het vaak voor “onkruid” aan. Bovendien is er veel verlies. Daarom laat men de stekjes tegenwoordig anderhalf jaar opkweken bij een kwekerij in de Flevopolder, waarna men de opgekweekte planten, die dan aanzienlijk groter zijn, ter plekke plant. Het groen “kleedt” dan voor het oog meer. Voor 100 vierkante meter heeft men b.v. 5000 stekjes nodig.
De prijs van het opkweken valt overigens mee, omdat de betreffende kwekerij volgens Anthonie niet direct een sociale werkplaats is, maar het personeel grotendeels uit (licht) gehandicapten bestaat die dit soort werkzaamheden als dagactiviteit uitvoeren.
We verzamelen ons rond enkele rijen met grote ronde kweekbakken van steen, waarin a.h.w. landschapstypen in oplopende stadia van verlanding worden nagebootst. We blijven hier uitgebreid bij staan en verdiepen ons in de plantjes. Pas in latere stadia komen hogere, zaadvormende planten (b.v. zeggen en grassen, dophei, dotterbloem, kievitsbloem) aan de orde. Verschillende deelnemers blijven lang studeren aan allerlei soorten mossen en korstmossen. Ook de wolfsklauw, een sporenplant, wekt interesse.
De deelnemers hebben zich inmiddels over het hele terrein verspreid. De schrijver blijft min of meer in de buurt van Renske en Anthonie, maar zijn aandacht wordt vooral getrokken door een “rotstuin”, bestaande uit stapels tegels/ dakpannen van leisteen (?), waarop zich verschillende sedumsoorten en andere rotsplanten hebben gehecht. Daarna loopt hij door naar enkele bekistingen met kweekplanten, waarover zwart gaas is aangebracht, tegen de vogels, maar ook om deze schaduwminnende kweekplanten tegen de zon te beschermen.
Inmiddels is Leo aangekomen, met een stevige kiespijn. Hij verzorgt de eerste groepsactiviteit voor vandaag. Op een gegeven moment komen alle deelnemers samen bij het hek van de kwekerij en gaat naar het bankje bij de eerste brug. Hij deelt tassen van Waternet uit met grote spiegels, opschrijfboekjes en pennen. Er moeten groepjes van twee worden gevormd. Deze lopen via de twee bruggetjes over het pad. De ene houdt de spiegel b.v. op buikhoogte naar boven en vertelt de ander wat hij boven zich via de spiegel waarneemt. Deze noteert het in zijn opschrijfboekje. Na 10 minuten wisselen de twee mensen van het groepje, na het fluitje van Leo. Nu wordt de spiegel echter boven het hoofd gehouden en geeft de ander aan de ene door wat hij via de spiegel onder zich ziet. Ook dit wordt genoteerd, waarna alle spullen (waaronder de boekjes, die Leo voor zijn verslag zal gebruiken) aan Leo wordt geretourneerd.
Na afloop vindt er een korte evaluatie plaats. De algemene conclusie is (volgens de schrijver) dat de grondidee aardig is, maar dat er op deze wijze veiligheidsproblemen kunnen ontstaan als men, zoals de bedoeling is, deze activiteit voor kinderen organiseert. De kinderen lopen rond met een grote spiegel en kunnen een keer struikelen. Daarom heeft Leo het ook zo georganiseerd dat er altijd iemand naast degene met de spiegel moet lopen om hem/ haar zonodig te waarschuwen, maar het blijft een aandachtspunt. Het de bedoeling dat de spiegel in een houten lijst worden gevat, zodat de spiegel veiliger en voor de kinderen beter hanteerbaar is. Leo is hier echter door een te korte voorbereidingstijd nog niet aan toegekomen.
De waarnemingen via de naar boven gerichte spiegel worden als geslaagd ervaren. Men zet echter wel vraagtekens naar de zin van een naar onder gerichte spiegel, daar de deelnemers aan de activiteit ook zonder spiegel naar de grond of op ooghoogte kunnen kijken. Een bijkomend probleem is, dat verschillende mensen met de spiegel boven zich gedesorienteerd raken. Ook het gewicht van de spiegels kan voor kinderen een probleem vormen. Leo zal verder nadenken over aanpassingen van de uitvoering van de activiteit.
Inmiddels is Alex aangekomen, in vol ornaat. We verzamelen ons op het tweede bruggetje, waarop hij ons het een en ander zal vertellen over de visstand in deze wateren. Het behoort tot het z.g. snoek/ ruisvoorn type (met verder de aanwezigheid van de modderkruiper en naar verluidt ook de karper); de waterkwaliteit is redelijk. De diepte is ongeveer 80 cm, met een laag bagger van een meter. Er moet dan ook volgens Anthonie een keer worden gebaggerd.
Er wordt dieper ingegaan op de snoek. Deze houdt zich vaak schuil tussen de oeverbegroei-ing, onder holle kanten en overhangende takken. Ook aan de kop van kruisende waterwegen komt men hem wel tegen. Hij jaagt vanuit de begroeiing op voorbijkomende prooien, waaronder jong broed dat zich tussen de oeverplanten ophoudt. Daarbij eet de snoek ook jonge exemplaren van de eigen soort. In andere delen van de plas vindt men waterplanten als gedoornd hoornblad en waterpest.
Men komt over de winter te spreken, toen het wekenlang vroor. Zolang er voldoende licht in het water valt is een laag ijs niet zo’n probleem voor het onderwaterleven, maar deze ont-stonden toen er herhaaldelijk een laag sneeuw viel. Hierdoor drong het daglicht niet door tot in het water, waardoor de fotosynthese stilviel en er te weinig zuurstof werd geproduceerd. Er zijn dan ook veel vissen doodgegaan. Er moesten in het gehele Amsterdamse Bos ruim 1800 dode karpers worden verwijderd. Zelfs de aal heeft de winterse omstandigheden meestal niet overleefd.
In principe grijpen de beheerders van de Braak niet in de natuur in. Onder deze omstandig-heden besloten ze echter een grote wak bij het bruggetje aan te brengen, zodat de vogels (reigers, visdiefjes, ijsvogels) bij hun voedsel konden. Het vroor echter zo streng en langdurig, dat het wak binnen afzienbare tijd grotendeels dichtvroor. Alleen de grotere vogels hielden het nog enigszins open.
Na het verhaal van Alex is de excursie eigenlijk afgelopen, maar op voorstel van Anthonie besluiten we dit keer door te lopen naar de z.g. “Doorbraak”, waar we bij vorige excursies niet aan toegekomen zijn. Het park dat we tegenwoordig “De Braak” noemen en dat in de oorlogsjaren aangelegd werd, werd aan het eind van de oorlog met een stuk uitgebreid, dat een ander karakter heeft, alleen al omdat Broerse hier wel exoten heeft laten planten.
zaterdag 27 maart
Excursie Schinkelbos op 27 maart 2010
verslag van Aleid Offerhaus
Voor ogen kan ik niet zeggen – ik ben immers geblinddoekt - maar het staat me nog levendig bij: het moment waarop ik onder hoorbaar gegniffel het hoofd buig voor een denkbeeldige tak, waar Brigit me voor gewaarschuwd heeft.
Als ik met Marit terugfiets van onze gezamenlijke Broedvogel Monitoring Project-ronde, vertelt ze me dat ze het Schinkelbos, waar ze die ochtend samen met Anthony een rondleiding geeft, nog nooit bezocht heeft. Van verbazing val ik bijna van mijn fiets. ‘Dat kan toch niet’ roept de schooljuffrouw in mij. Zij en Anthony hebben zich bovendien voorgenomen om ons de Blauwborst en de Veldleeuwerik te laten horen. Op waarneming.nl was er immers melding gemaakt van een Blauwborst en een Veldleeuwerik in het Schinkelbos. ‘ Toe maar’ denk ik mopperig ‘alsof die beesten op afstand bedienbaar zijn’.
Onder leiding van Anthony en Marit vertrekken we op de fiets door het Schinkelbos. Jaap zonder fiets neemt Brigit achterop en zo stoppen we na vijf minuten op een schijnbaar willekeurige plek in het bos. Hier worden we letterlijk het bos in gestuurd. Geblinddoekt en alleen bijgestuurd door een maatje moeten we onze weg naar een plek in het bos vinden om deze vervolgens zonder blinddoek weer terug te vinden. Volgens Van Dale is ‘iemand het bos insturen’ in politiejargon ‘ iemand zijn vrijheid teruggeven’ en eigenlijk is dit zo gek nog niet. Als eerste wend je je ogen aan bij het waarnemen en in tweede instantie schakel je pas over op je andere zintuigen, maar alleen kijken beperkt je waarneming, omdat je wat je waarneemt ook kan voelen, ruiken of horen.
Na het bos worden we zonder kluitje het riet ingestuurd, maar met de opdracht om vooral niet te kijken en goed te luisteren en ja hoor, even later horen we daadwerkelijk de Blauwborst. Als sluitstuk moeten we nog aan een geblinddoekt iemand beschrijven wat we zien, maar dat blijkt lastiger dan gedacht. Hoe beschrijf je iets aan iemand die geen beelden heeft om jouw beelden te kunnen begrijpen? Het maakt wel duidelijk dat je in je beschrijving van verschijnselen wel in de schoenen van je toehoorder moet gaan staan.
Op de Takkade, die om het Schinkelbos heenloopt, besluiten we de excursie met een rollenspel. Op dat punt ben ik niet zo helder meer. Ongestraft om vijf uur opstaan vraagt zijn tol.
En ja, die Veldleeuwerik.......
verslag van Aleid Offerhaus
Voor ogen kan ik niet zeggen – ik ben immers geblinddoekt - maar het staat me nog levendig bij: het moment waarop ik onder hoorbaar gegniffel het hoofd buig voor een denkbeeldige tak, waar Brigit me voor gewaarschuwd heeft.
Als ik met Marit terugfiets van onze gezamenlijke Broedvogel Monitoring Project-ronde, vertelt ze me dat ze het Schinkelbos, waar ze die ochtend samen met Anthony een rondleiding geeft, nog nooit bezocht heeft. Van verbazing val ik bijna van mijn fiets. ‘Dat kan toch niet’ roept de schooljuffrouw in mij. Zij en Anthony hebben zich bovendien voorgenomen om ons de Blauwborst en de Veldleeuwerik te laten horen. Op waarneming.nl was er immers melding gemaakt van een Blauwborst en een Veldleeuwerik in het Schinkelbos. ‘ Toe maar’ denk ik mopperig ‘alsof die beesten op afstand bedienbaar zijn’.
Onder leiding van Anthony en Marit vertrekken we op de fiets door het Schinkelbos. Jaap zonder fiets neemt Brigit achterop en zo stoppen we na vijf minuten op een schijnbaar willekeurige plek in het bos. Hier worden we letterlijk het bos in gestuurd. Geblinddoekt en alleen bijgestuurd door een maatje moeten we onze weg naar een plek in het bos vinden om deze vervolgens zonder blinddoek weer terug te vinden. Volgens Van Dale is ‘iemand het bos insturen’ in politiejargon ‘ iemand zijn vrijheid teruggeven’ en eigenlijk is dit zo gek nog niet. Als eerste wend je je ogen aan bij het waarnemen en in tweede instantie schakel je pas over op je andere zintuigen, maar alleen kijken beperkt je waarneming, omdat je wat je waarneemt ook kan voelen, ruiken of horen.
Na het bos worden we zonder kluitje het riet ingestuurd, maar met de opdracht om vooral niet te kijken en goed te luisteren en ja hoor, even later horen we daadwerkelijk de Blauwborst. Als sluitstuk moeten we nog aan een geblinddoekt iemand beschrijven wat we zien, maar dat blijkt lastiger dan gedacht. Hoe beschrijf je iets aan iemand die geen beelden heeft om jouw beelden te kunnen begrijpen? Het maakt wel duidelijk dat je in je beschrijving van verschijnselen wel in de schoenen van je toehoorder moet gaan staan.
Op de Takkade, die om het Schinkelbos heenloopt, besluiten we de excursie met een rollenspel. Op dat punt ben ik niet zo helder meer. Ongestraft om vijf uur opstaan vraagt zijn tol.
En ja, die Veldleeuwerik.......
maandag 26 april 2010
zaterdag 10 april
Verslag rondleiding J.P. Thijssepark: Anthony
Precies een jaar geleden kregen we voor het eerst een rondleiding voor de natuurgidsen. We liepen als een stel onwetenden achter onze gidsen aan. Zij vertelden ons over de geschiedenis, de opbouw en de toegepaste beplanting. Het zag er zo gemakkelijk uit, maar zeer moeilijk om zelf te kunnen doen.
Vandaag zijn we weer op dezelfde plek als vorig jaar. Bij het Jac. P. Thijssepark. Een ding is er echter veranderd ten opzichte van de vorige keer. Hetgeen bijna voor onmogelijk gehouden werd, is werkelijkheid geworden: vandaag geven 2 cursisten de rondleiding in het Jac. P. Thijssepark.
En wat een leuke rondleiding kregen we van ze. Niet 20 minuten, niet 40 minuten, maar de volle 3 uur namen ze ons mee door dit fantastische park. Genieten met een hoofdletter ‘G’.
Nou moet ik wel gezegd hebben dat dit park zich ontzettend goed leent voor het geven van een rondleiding. De prachtige, kronkelende paden, de grote diversiteit aan bomen, struiken en bloemen en niet te vergeten de geweldige staat waarin dit 70 jaar oude park zich bevindt. Hulde aan al die buitengewoon goede vaklui die hier werken.
Maar goed, terug naar de excursie. Aan de hand van Frank Peter en Margo werden we meegenomen op een wandeling door het park. Na het opfrissen van ons geheugen over de geschiedenis, werd de groep in tweeën gesplitst. Mijn groep ging als eerste met Frank Peter mee. Hij liet ons de stinzenplanten zie die nu in bloei staan. Van de vingerhelmbloemen tot de narcissen en van de holwortels tot de bosanemonen; ze kwamen allemaal aan bod. Geobsedeerd door al dit moois gingen we van plant naar plant. Al even gepassioneerd vertelde Frank Peter ons over de kleine gaatjes in de bloemen van de holwortel. Deze worden gemaakt door een hommel(koningin). De bloem is namelijk te klein om in te kruipen en dus gaat de hommel maar buiten om. De hommel bijt vervolgens een gat in de bloem en kan op die manier alsnog bij de nectar komen. Slimme beestjes!
Voordat we gingen wisselen van gids, moesten we met z’n allen luisteren. Luisteren naar de geluiden die de vogels maken, luisteren naar al dat mooie gefluit en getjilp en natuurlijk ook naar dat ordinair gekrijs. Hier een roodborst, daar een winterkoning en een koolmees, een fuut, een meerkoet, buizerd, pimpelmees en verder niks.
Na een korte pauze neemt Margo ons mee voor het vervolg van de excursie. Zij wil ons naar het geheel laten kijken: naar de kleurschakeringen, de grote lijnen en de tuinkamers. Ze wil ons ook bewust laten worden van de gevoelens die dit park bij verschillende mensen op kan roepen.
Binnen een minuut verdween Margo echter alweer naar de grond. Een mooi plantje! Ze besefte zich zeer snel dat dit Frank Peters terrein was en kwam net zo snel als dat ze naar de grond verdwenen was weer overeind. Ze herstelde zich, maakte een grapje en ging weer verder. Heel goed! Ze wees ons op de functies die de bomen en struiken hier vervullen en dat alles met een reden geplant is. Zelfs de dode bomen hebben een functie. Daarin kunnen spechten hun pikdiploma halen. Na het bekijken van een aantal tuinkamers, waarbij Margo nog een paar keer naar de grond verdween, zat het er op voor vandaag.
Nog even allemaal op de foto en dat was het dan. Wat is het Jac. P. Thijssepark toch heerlijk!
Precies een jaar geleden kregen we voor het eerst een rondleiding voor de natuurgidsen. We liepen als een stel onwetenden achter onze gidsen aan. Zij vertelden ons over de geschiedenis, de opbouw en de toegepaste beplanting. Het zag er zo gemakkelijk uit, maar zeer moeilijk om zelf te kunnen doen.
Vandaag zijn we weer op dezelfde plek als vorig jaar. Bij het Jac. P. Thijssepark. Een ding is er echter veranderd ten opzichte van de vorige keer. Hetgeen bijna voor onmogelijk gehouden werd, is werkelijkheid geworden: vandaag geven 2 cursisten de rondleiding in het Jac. P. Thijssepark.
En wat een leuke rondleiding kregen we van ze. Niet 20 minuten, niet 40 minuten, maar de volle 3 uur namen ze ons mee door dit fantastische park. Genieten met een hoofdletter ‘G’.
Nou moet ik wel gezegd hebben dat dit park zich ontzettend goed leent voor het geven van een rondleiding. De prachtige, kronkelende paden, de grote diversiteit aan bomen, struiken en bloemen en niet te vergeten de geweldige staat waarin dit 70 jaar oude park zich bevindt. Hulde aan al die buitengewoon goede vaklui die hier werken.
Maar goed, terug naar de excursie. Aan de hand van Frank Peter en Margo werden we meegenomen op een wandeling door het park. Na het opfrissen van ons geheugen over de geschiedenis, werd de groep in tweeën gesplitst. Mijn groep ging als eerste met Frank Peter mee. Hij liet ons de stinzenplanten zie die nu in bloei staan. Van de vingerhelmbloemen tot de narcissen en van de holwortels tot de bosanemonen; ze kwamen allemaal aan bod. Geobsedeerd door al dit moois gingen we van plant naar plant. Al even gepassioneerd vertelde Frank Peter ons over de kleine gaatjes in de bloemen van de holwortel. Deze worden gemaakt door een hommel(koningin). De bloem is namelijk te klein om in te kruipen en dus gaat de hommel maar buiten om. De hommel bijt vervolgens een gat in de bloem en kan op die manier alsnog bij de nectar komen. Slimme beestjes!
Voordat we gingen wisselen van gids, moesten we met z’n allen luisteren. Luisteren naar de geluiden die de vogels maken, luisteren naar al dat mooie gefluit en getjilp en natuurlijk ook naar dat ordinair gekrijs. Hier een roodborst, daar een winterkoning en een koolmees, een fuut, een meerkoet, buizerd, pimpelmees en verder niks.
Na een korte pauze neemt Margo ons mee voor het vervolg van de excursie. Zij wil ons naar het geheel laten kijken: naar de kleurschakeringen, de grote lijnen en de tuinkamers. Ze wil ons ook bewust laten worden van de gevoelens die dit park bij verschillende mensen op kan roepen.
Binnen een minuut verdween Margo echter alweer naar de grond. Een mooi plantje! Ze besefte zich zeer snel dat dit Frank Peters terrein was en kwam net zo snel als dat ze naar de grond verdwenen was weer overeind. Ze herstelde zich, maakte een grapje en ging weer verder. Heel goed! Ze wees ons op de functies die de bomen en struiken hier vervullen en dat alles met een reden geplant is. Zelfs de dode bomen hebben een functie. Daarin kunnen spechten hun pikdiploma halen. Na het bekijken van een aantal tuinkamers, waarbij Margo nog een paar keer naar de grond verdween, zat het er op voor vandaag.
Nog even allemaal op de foto en dat was het dan. Wat is het Jac. P. Thijssepark toch heerlijk!
donderdag 18 maart 2010
zaterdag 13 maart
De Braak
Za 13 mrt - Joanne
Bij aankomst begroet door een Vlaamse gaai, die we tegenwoordig niet meer Vlaams mogen noemen.
Carla had een teleurstellende mededeling: de rondleidster uit de vogelwerkgroep kon wegens ziekte niet aanwezig zijn.
Gelukkig hadden daardoor GertJan, Hannie en Ida alle tijd voor hun interessante 20 min excursies.
En Jaap was de paashaas al tegen gekomen wat de pijn ook verzachtte.
De Braak
De plas in de Braak is ooit ontstaan door een dijkdoorbraak. Het water van de plas was ooit troebel wat niet bevorderlijk was voor vissen en waterplanten, daarom is de plas later uitgebaggerd, met de bagger konden paden worden opgehoogd. In 1939 werd hier het oudste heempark van Amstelveen aangelegd, als gevolg van de toegenomen aandacht voor inheemse planten, er werd volop gekweekt en ook een kruidentuin werd aangelegd. Riet en schermbloemen voelen zich er thuis. Maar tijdens de rondgang kwamen we ook winterheide tegen, longkruid, gagel, hortensia, petunia, berk
Bomen als middel tegen ziektes - Hannie
De boom bestaat uit blad, bast en wortel en deze kunnen allen een heilzame werking hebben. De plek waar een boom groeit is vaak een indicatie voor het middel. Zo staat een wilg aan het water en is daarom te gebruiken bij malaria (een typische muggenziekte). De kardinaalsmuts kan als wapen worden ingezet tegen hoofdluis. De giftige zaden moeten fijngemalen worden en als papje op het hoofd worden gesmeerd. Van het hout worden trouwens tandenstokers gemaakt.Ook de berk heeft helende kracht. In het voorjaar heeft de boom een imposante sapvloei, de wortels slurpen per dag zo’n 400 liter water en transporteren dat omhoog. Met een snede in de bast kan makkelijk 1,5 liter worden afgetapt en je bent verzekerd van eeuwige jeugd. Ook aan te bevelen als bestrijder van haaruitval. En het drinken van het berkensap kan extra aangenaam worden als je er volgens beproefd recept wijn van maakt. Door de sapvloei van bomen in het voorjaar is het niet aan te raden om in het voorjaar te snoeien. De berkenwortel werd vroeger in de scheepsbouw toegepast als conservering, zgn. berkenteer. Carla wijst ons op het verschil tussen de ruwe en de zachte berk, de ruwe berk heeft de mooie neerhangende takken.
De bast van de wilg bevat saliszuur, goed tegen reumatische pijnen. In aspirine zit hetzelfde zuur, aspirine wordt sneller door het lichaam opgenomen maar wie op een stukje berkenbast kauwt houdt de pijn langer op afstand. De wortels van de wilg houden de slootkant vast. Getrokken in de thee werkt het tegen depressie en koorts.
Gagel kan gebruikt worden in de linnenkast tegen vlooien en motten.
Het hout van de els is hard en wordt in water nog harder, daarom is het veel gebruikt voor het onderpalen van de stad Amsterdam. Elzenblad in je schoen helpt tegen vermoeidheid, fijngemalen elzenblad doet sproeten verdwijnen.
De tak van de hulst vergroot de mannelijkheid, Brigit merkt fijntjes op dat voor een optimale werking de hulstblaadjes waarschijnlijk in het ondergoed moet worden meegedragen. Ook JP Thijsse dronk graag thee getrokken van hulsthout lezen we in zijn biografie. Ook een aardig weetje is dat bij een hoog opgegroeide hulst de blaadjes boven in geen stekels meer hebben, de stekels zijn alleen van nut om bij de grondse vijanden op afstand te houden.
Er komen 2 andere bomen ter sprake: de spindletree waar tollen om wol op te spinnen van werden gemaakt. Ebbenhout met de 2 kleurige kurklijsten in de lengte van de tak wordt gebruikt voor vioolstrijkstokken.
Gert Jan stuurde ons op pad met een opdrachtenlijstje over het zintuiglijk waarnemen van het voorjaar. Aan de hand van vogelgeluid, gagelgeur, opkomende primula, én paaseitjes kwamen sommigen tot minstens 16 waarnemingen.
Over de vogel eieren kan worden opgemerkt dat de meileggers wel laatkomers zijn, de bosuil begint al in februari met leggen en de meeste vogels volgen in maart. Roodborstjes bij wie zowel de mannetjes als de vrouwtjes agressief hun territorium veiligstellen krijgen hiermee een probleem bij het paren, als het mannetje zich opstel als een jonkie dan wil het vrouwtje hem in haar territorium dulden.
Ondertussen doen waggelende eenden zich tegoed aan het restje overgebleven cranberry’s. De halsbandparkieten hebben zich in een boom meester gemaakt van een nest in een holte in de stam. En achter de lavendelhei bloeit de pas aangeplante winterhei.
Ida heeft ons wijzer gemaakt in de wereld van de varens. Ze begon met een leuke wetenswaardigheid dat varens niet van warmte houden en dat de oplettende kijker met deze informatie het verschil tussen een protestante en een katholieke kerk kunnen zien, De katholieken stoken door de week dus bekeren de varens zich liever tot het protestantisme.
Naast dat de varen al heel oud is bestaan er allerlei variëteiten waarvan Ida voorbeelden heeft meegenomen.
Za 13 mrt - Joanne
Bij aankomst begroet door een Vlaamse gaai, die we tegenwoordig niet meer Vlaams mogen noemen.
Carla had een teleurstellende mededeling: de rondleidster uit de vogelwerkgroep kon wegens ziekte niet aanwezig zijn.
Gelukkig hadden daardoor GertJan, Hannie en Ida alle tijd voor hun interessante 20 min excursies.
En Jaap was de paashaas al tegen gekomen wat de pijn ook verzachtte.
De Braak
De plas in de Braak is ooit ontstaan door een dijkdoorbraak. Het water van de plas was ooit troebel wat niet bevorderlijk was voor vissen en waterplanten, daarom is de plas later uitgebaggerd, met de bagger konden paden worden opgehoogd. In 1939 werd hier het oudste heempark van Amstelveen aangelegd, als gevolg van de toegenomen aandacht voor inheemse planten, er werd volop gekweekt en ook een kruidentuin werd aangelegd. Riet en schermbloemen voelen zich er thuis. Maar tijdens de rondgang kwamen we ook winterheide tegen, longkruid, gagel, hortensia, petunia, berk
Bomen als middel tegen ziektes - Hannie
De boom bestaat uit blad, bast en wortel en deze kunnen allen een heilzame werking hebben. De plek waar een boom groeit is vaak een indicatie voor het middel. Zo staat een wilg aan het water en is daarom te gebruiken bij malaria (een typische muggenziekte). De kardinaalsmuts kan als wapen worden ingezet tegen hoofdluis. De giftige zaden moeten fijngemalen worden en als papje op het hoofd worden gesmeerd. Van het hout worden trouwens tandenstokers gemaakt.Ook de berk heeft helende kracht. In het voorjaar heeft de boom een imposante sapvloei, de wortels slurpen per dag zo’n 400 liter water en transporteren dat omhoog. Met een snede in de bast kan makkelijk 1,5 liter worden afgetapt en je bent verzekerd van eeuwige jeugd. Ook aan te bevelen als bestrijder van haaruitval. En het drinken van het berkensap kan extra aangenaam worden als je er volgens beproefd recept wijn van maakt. Door de sapvloei van bomen in het voorjaar is het niet aan te raden om in het voorjaar te snoeien. De berkenwortel werd vroeger in de scheepsbouw toegepast als conservering, zgn. berkenteer. Carla wijst ons op het verschil tussen de ruwe en de zachte berk, de ruwe berk heeft de mooie neerhangende takken.
De bast van de wilg bevat saliszuur, goed tegen reumatische pijnen. In aspirine zit hetzelfde zuur, aspirine wordt sneller door het lichaam opgenomen maar wie op een stukje berkenbast kauwt houdt de pijn langer op afstand. De wortels van de wilg houden de slootkant vast. Getrokken in de thee werkt het tegen depressie en koorts.
Gagel kan gebruikt worden in de linnenkast tegen vlooien en motten.
Het hout van de els is hard en wordt in water nog harder, daarom is het veel gebruikt voor het onderpalen van de stad Amsterdam. Elzenblad in je schoen helpt tegen vermoeidheid, fijngemalen elzenblad doet sproeten verdwijnen.
De tak van de hulst vergroot de mannelijkheid, Brigit merkt fijntjes op dat voor een optimale werking de hulstblaadjes waarschijnlijk in het ondergoed moet worden meegedragen. Ook JP Thijsse dronk graag thee getrokken van hulsthout lezen we in zijn biografie. Ook een aardig weetje is dat bij een hoog opgegroeide hulst de blaadjes boven in geen stekels meer hebben, de stekels zijn alleen van nut om bij de grondse vijanden op afstand te houden.
Er komen 2 andere bomen ter sprake: de spindletree waar tollen om wol op te spinnen van werden gemaakt. Ebbenhout met de 2 kleurige kurklijsten in de lengte van de tak wordt gebruikt voor vioolstrijkstokken.
Gert Jan stuurde ons op pad met een opdrachtenlijstje over het zintuiglijk waarnemen van het voorjaar. Aan de hand van vogelgeluid, gagelgeur, opkomende primula, én paaseitjes kwamen sommigen tot minstens 16 waarnemingen.
Over de vogel eieren kan worden opgemerkt dat de meileggers wel laatkomers zijn, de bosuil begint al in februari met leggen en de meeste vogels volgen in maart. Roodborstjes bij wie zowel de mannetjes als de vrouwtjes agressief hun territorium veiligstellen krijgen hiermee een probleem bij het paren, als het mannetje zich opstel als een jonkie dan wil het vrouwtje hem in haar territorium dulden.
Ondertussen doen waggelende eenden zich tegoed aan het restje overgebleven cranberry’s. De halsbandparkieten hebben zich in een boom meester gemaakt van een nest in een holte in de stam. En achter de lavendelhei bloeit de pas aangeplante winterhei.
Ida heeft ons wijzer gemaakt in de wereld van de varens. Ze begon met een leuke wetenswaardigheid dat varens niet van warmte houden en dat de oplettende kijker met deze informatie het verschil tussen een protestante en een katholieke kerk kunnen zien, De katholieken stoken door de week dus bekeren de varens zich liever tot het protestantisme.
Naast dat de varen al heel oud is bestaan er allerlei variëteiten waarvan Ida voorbeelden heeft meegenomen.
zondag 24 januari 2010
zaterdag 23 januari 2010
23 januari, verslag excursie Vogeleiland , Amsterdamse Bos.
Op weg naar het Vogeleiland werden we wakker geschud door een boomklever, met zijn typische geluid ‘plieuw plieuw’.
Deze excursie waren er 10-minuten praatjes van Annemarie, en van Joanne en Aleid.
Annemarie opende met wat geschiedenis.
Het Vogeleiland is ontstaan door een idee van Piet Brander en is 3 ha groot.
Het idee was om er verschillende biotopen aan te leggen, om bepaalde vogels aan te trekken.
Bijv; een schelpenstrandje voor Plevier, visdief, en een oeverwal voor ijsvogel en oeverzwaluw.
Bossages voor kleine zangvogels en een rietlandje voor Baardmannetje, karekiet enz.
Maar door o.a. het opgroeien van het bos eromheen, kwamen die soorten niet.
Daarna besloot men er een heemtuin van te maken met als gebiedjes; duingebied, moerasgebied, heuvellandschap en akker.
Door gebrek aan geld is het na aanleg niet goed meer onderhouden en is er een lekker verwilderd stukje ontstaan.
Er is nog wel genoeg te zien.
Het zien begint bij de bekende soorten, en daarna af en toe een soort tegenkomen en erbij leren.
Annemarie liet ons dmv een ‘bingo’kaart goed kijken en luisteren. Degenen die het meeste van het kaartje gezien en gehoord hadden, wonnen een kunstig en snel gefabriceerde ballon-papagaai. Erg leuk !
Het idee van een ‘bingo’ is op vele manieren toe te passen. Voor zowel planten, vogels, insekten, en andere inrichtings elementen in een gebied.
Ondertussen was er veel te zien;
Heggerank tot hoog in de bomen, heel veel sneeuwklokjes, grote bonte specht, enz.
Aleid had een interessant verhaal over de eigenlijke ontwerpster van het A’damse bos; Jacoba Mulder.
Zij was de eerste stedebouwkundige en heeft naast het A’damse bos nog Nieuw-west, Spaarnwoude en A’veen ontworpen.
Bekendheid kregen stedebouwkundigen pas na WO-2, vandaar dat ze niet zo bekend is. Jammer, want als vrouw die in 1918 begon met dergelijke studie is het onthouden waard.
Joanne vertelde leuke details over voorkomende vogels.
De boomklever metselt spechtgaten dicht met modder, zodat de opening klein genoeg is om het als nestholletje te gebruiken. Het goudhaantje is het kleinste vogeltje in Nederland, 4-6 gram, en houd o.a. van (giftige!) taxus.
Kortom; handige informatie om mee te nemen.
Met Aleid en Joanne liepen we richting Geitenboerderij en onder een stel hoge bomen floot een vogel een aparte roep. We konden er niet achter komen wat het was, maar het leek een lijsterachtige. Helaas vloog hij weg.
Bij het verder lopen door het bos richting Geitenboerderij deed Carla ons nog wat tips aan de hand om m.n. kinderen te laten kijken.
Plak plakband op boomschors, en daarna op een vel papier. De structuur van de bast is zo goed te zien.
Of meet de ouderdom van een boom; de omtrek : 10 x 4, is het aantal jaren oud bij benadering.
Een manier om de hoogte te meten leek niet helemaal te kloppen, maar er zijn handige dingen voor te krijgen (bij natuurmonumenten bijv) om dat te doen, helaas had ik hem niet bij me.
Richting Geitenboerderij waren er nog (platte!) vleermuiskasten te zien hoog tegen een paar beuken.
Het was voor een aantal cursisten, te koud om stil te staan, te slenteren en verder te verkleumen. Dus mijn verhaal stopt bij het vluchten naar de geitenboerderij voor warme koffie !
Maar; als het weer warmer wordt is hier dus genoeg te zien en te doen.
Margo
Op weg naar het Vogeleiland werden we wakker geschud door een boomklever, met zijn typische geluid ‘plieuw plieuw’.
Deze excursie waren er 10-minuten praatjes van Annemarie, en van Joanne en Aleid.
Annemarie opende met wat geschiedenis.
Het Vogeleiland is ontstaan door een idee van Piet Brander en is 3 ha groot.
Het idee was om er verschillende biotopen aan te leggen, om bepaalde vogels aan te trekken.
Bijv; een schelpenstrandje voor Plevier, visdief, en een oeverwal voor ijsvogel en oeverzwaluw.
Bossages voor kleine zangvogels en een rietlandje voor Baardmannetje, karekiet enz.
Maar door o.a. het opgroeien van het bos eromheen, kwamen die soorten niet.
Daarna besloot men er een heemtuin van te maken met als gebiedjes; duingebied, moerasgebied, heuvellandschap en akker.
Door gebrek aan geld is het na aanleg niet goed meer onderhouden en is er een lekker verwilderd stukje ontstaan.
Er is nog wel genoeg te zien.
Het zien begint bij de bekende soorten, en daarna af en toe een soort tegenkomen en erbij leren.
Annemarie liet ons dmv een ‘bingo’kaart goed kijken en luisteren. Degenen die het meeste van het kaartje gezien en gehoord hadden, wonnen een kunstig en snel gefabriceerde ballon-papagaai. Erg leuk !
Het idee van een ‘bingo’ is op vele manieren toe te passen. Voor zowel planten, vogels, insekten, en andere inrichtings elementen in een gebied.
Ondertussen was er veel te zien;
Heggerank tot hoog in de bomen, heel veel sneeuwklokjes, grote bonte specht, enz.
Aleid had een interessant verhaal over de eigenlijke ontwerpster van het A’damse bos; Jacoba Mulder.
Zij was de eerste stedebouwkundige en heeft naast het A’damse bos nog Nieuw-west, Spaarnwoude en A’veen ontworpen.
Bekendheid kregen stedebouwkundigen pas na WO-2, vandaar dat ze niet zo bekend is. Jammer, want als vrouw die in 1918 begon met dergelijke studie is het onthouden waard.
Joanne vertelde leuke details over voorkomende vogels.
De boomklever metselt spechtgaten dicht met modder, zodat de opening klein genoeg is om het als nestholletje te gebruiken. Het goudhaantje is het kleinste vogeltje in Nederland, 4-6 gram, en houd o.a. van (giftige!) taxus.
Kortom; handige informatie om mee te nemen.
Met Aleid en Joanne liepen we richting Geitenboerderij en onder een stel hoge bomen floot een vogel een aparte roep. We konden er niet achter komen wat het was, maar het leek een lijsterachtige. Helaas vloog hij weg.
Bij het verder lopen door het bos richting Geitenboerderij deed Carla ons nog wat tips aan de hand om m.n. kinderen te laten kijken.
Plak plakband op boomschors, en daarna op een vel papier. De structuur van de bast is zo goed te zien.
Of meet de ouderdom van een boom; de omtrek : 10 x 4, is het aantal jaren oud bij benadering.
Een manier om de hoogte te meten leek niet helemaal te kloppen, maar er zijn handige dingen voor te krijgen (bij natuurmonumenten bijv) om dat te doen, helaas had ik hem niet bij me.
Richting Geitenboerderij waren er nog (platte!) vleermuiskasten te zien hoog tegen een paar beuken.
Het was voor een aantal cursisten, te koud om stil te staan, te slenteren en verder te verkleumen. Dus mijn verhaal stopt bij het vluchten naar de geitenboerderij voor warme koffie !
Maar; als het weer warmer wordt is hier dus genoeg te zien en te doen.
Margo
zaterdag 23 januari 2010
zaterdag 23 januari 2010
Verslag 23 januari 2010 op het vogeleiland in het Amsterdamse bos.
Met ze tweeëntwintigen gingen we onderweg naar het vogeleiland, we hoorde (zagen) al snel een boomklever.
Op het vogeleiland aangekomen begon Annemarie met een 10 minuten praatje. Ze vertelde in het kort iets over de geschiedenis van het vogeleiland. In eerste instantie was het zo ingericht om vogels en reptielen te trekken. De vogels die ze in gedachte hadden kwamen alleen niet. Daarna werd het een heemtuin en nu is het een rustige plek waar veel vogels hun snavel laten zien. Ook eekhoorns komen heel dicht bij je als je maar stilzit.
Annemarie wilde een vogelbingo doen. We kregen allemaal een briefje met 8 vogels of iets vergelijkbaars. Zoals een vliegtuig, veertje, staartmees, nestkastje, merel, goudhaantje, ekster en boomklever. Die 8 punten moest je zoeken of horen en wie er de meeste gehoord of gezien had, had natuurlijk gewonnen.
Ik vond het erg leuk om te doen en iedereen was zo stil
Aleid en Johanna hadden hun 20 minuten rondleiding. Die hadden ze voorbereid vanaf de geitenboerderij naar het vogeleiland. Alleen tijdens hun voorbereiding was het een compleet andere wereld er lag namelijk sneeuw. Dat was nu geheel verdwenen. Aleid vertelde nog het een en ander over Jacoba Mulder.
Tijdens de wandeling naar de geitenboerderij hebben we nog een paar opdrachten gekregen van Carla. Met een plakbandje op de boom en dan op een vel wit papier plakken, dan heb je de vingerafdruk van de boom. Ook met een papiertje en een krijtje krijg je leuke afdrukken.
Bij de geitenboerderij konden we weer een beetje opwarmen, want we hadden het wel een beetje koud gekregen van het vele zitten. Verder was het een gezellige en toch nog droge dag.
Femke Hoonhout
Met ze tweeëntwintigen gingen we onderweg naar het vogeleiland, we hoorde (zagen) al snel een boomklever.
Op het vogeleiland aangekomen begon Annemarie met een 10 minuten praatje. Ze vertelde in het kort iets over de geschiedenis van het vogeleiland. In eerste instantie was het zo ingericht om vogels en reptielen te trekken. De vogels die ze in gedachte hadden kwamen alleen niet. Daarna werd het een heemtuin en nu is het een rustige plek waar veel vogels hun snavel laten zien. Ook eekhoorns komen heel dicht bij je als je maar stilzit.
Annemarie wilde een vogelbingo doen. We kregen allemaal een briefje met 8 vogels of iets vergelijkbaars. Zoals een vliegtuig, veertje, staartmees, nestkastje, merel, goudhaantje, ekster en boomklever. Die 8 punten moest je zoeken of horen en wie er de meeste gehoord of gezien had, had natuurlijk gewonnen.
Ik vond het erg leuk om te doen en iedereen was zo stil
Aleid en Johanna hadden hun 20 minuten rondleiding. Die hadden ze voorbereid vanaf de geitenboerderij naar het vogeleiland. Alleen tijdens hun voorbereiding was het een compleet andere wereld er lag namelijk sneeuw. Dat was nu geheel verdwenen. Aleid vertelde nog het een en ander over Jacoba Mulder.
Tijdens de wandeling naar de geitenboerderij hebben we nog een paar opdrachten gekregen van Carla. Met een plakbandje op de boom en dan op een vel wit papier plakken, dan heb je de vingerafdruk van de boom. Ook met een papiertje en een krijtje krijg je leuke afdrukken.
Bij de geitenboerderij konden we weer een beetje opwarmen, want we hadden het wel een beetje koud gekregen van het vele zitten. Verder was het een gezellige en toch nog droge dag.
Femke Hoonhout
vrijdag 18 december 2009
zaterdag 12 december
Excursie verslag de Braak 11-12-2009.
De zon scheen, het was koud en klokslag 10 uur vertrokken we in 3 groepjes het parkje in.
Ik liep mee met de groep van Bas waarbij ook Anthonie zich had aangesloten, en dat had zo zijn voordelen….(hierover later meer)
Het parkje is een soort openluchtmuseum. Want in dit park (samen met het Thijssepark) staan 550 soorten bomen en struiken, waarvan 80 % op de rode lijst!
Het park beslaat 5 ha. en is even groot als het Thijssepark. Het lijkt echter veel kleiner door de indeling. Het meertje is ooit ontstaan door een doorgebroken dijk. Het park bestaat grotendeels uit veengrond wat tegen beter weten in, steeds opnieuw weer opgehoogd moet worden. Anders verzakt het. Door de zuurstof die er bij komt wordt het verteerd en klinkt het in. Als je er niets aan zou doen, zou het binnen twee jaar een broekbos worden.
Het ophogen, wieden, baggeren van de vijver, het renoveren van de bruggen, en ander grondwer,k wordt door vier mensen gedaan, fulltime.
Het park kost veel geld maar het is de inwoners van Amstelveen er veel aan gelegen om ze te behouden; men is trots op zijn parken en daarom staan hier nog steeds geen luxe woningen!
Gespotte vogels (niet door mij, want ik was druk aan het opschrijven): Halsbandparkiet (met rode bef), vlaamse gaai, meerkoeten (ong. 30 stuks, en aardig om te weten is dat je ze heel makkelijk kunt pakken als je je hand boven de plek houdt waar ze onder water zijn gedoken; ze komen nl. altijd weer op dezelfde plek boven..), merel, groene specht (jaagt op mieren en goed te zien omdat ze ‘s winters altijd op plekken zoeken waar het pas gemaaid is), blauwe reiger (zit er het hele jaar door), zwanen en krakeenden. Krakeenden pakken het eten van de meerkoet, zodra deze duikt en zijn eten loslaat.
Het park kent veel wintergasten, waaronder de nijlgans, kuifeenden en aalscholvers (als de vijver openblijft/niet dichtvriest). Aalscholvers hebben geen vetklieren, i.t.t. veel andere vogels; als ze uit het water komen zijn ze loeizwaar van het water. Ze spreiden dan hun vleugels om ze te drogen.
Bas attendeert ons op een groot spechtengat; de specht denkt een insect te zien en begint een gat te hakken in een boom.
Ook wijst hij ons op de niche van een koolmees; een houten vogelhuisje want er zijn geen oude rotte bomen om gaatjes in te maken. Als het gat van het vogelhuisje klein is, diameter 2 euro, dan zit er een pimpelmeesje in. Is het gat groter, dan past het koolmeesje erdoor en verjaagt hij de pimpelmees.
We zien al uitlopers van de daslook en de zomerklokjes…
Weinig paddenstoelen; zwavelkoppen, geweizwammen, rode meniezwam en een niet gedetermineerde plaatjeszwam.
Later kwam Carla nog met een vondst; het viltig judasoortje, gevonden op een oude stronk.
De haagbeuk is te herkennen aan zijn gespierde stam. Jonge exemplaren houden hun blaadjes vast om hun knoppen te beschermen.
Dubbelloof, een varensoort, heeft groene bladeren voor fotosynthese en aparte voor sporen; deze staan hoger dan de rest en vangen meer wind, voor de verspreiding.
Gelukkig liet Anthonie ons nu de binnenkant van zijn werkkeet zien, waardoor mijn vingers weer konden ontdooien en we allemaal werden getrakteerd op koffie.
Lang leve Anthonie!
Helaas was er dit keer niemand jarig dus geen zangpartijen en koek..
Hannie vertelde nog even waar het woord pechvogel vandaan kwam; de pechvogel is gemaakt van stof en werd vroeger naar een lastige leerling gegooid. Deze ving hem op, bracht hem naar de meester/juf terug, en kreeg als dank een mep met een meetlat of riet op de de handen.
Allemaal een goed nieuw jaar gewenst!
Groet, Brigit van Tongeren
De zon scheen, het was koud en klokslag 10 uur vertrokken we in 3 groepjes het parkje in.
Ik liep mee met de groep van Bas waarbij ook Anthonie zich had aangesloten, en dat had zo zijn voordelen….(hierover later meer)
Het parkje is een soort openluchtmuseum. Want in dit park (samen met het Thijssepark) staan 550 soorten bomen en struiken, waarvan 80 % op de rode lijst!
Het park beslaat 5 ha. en is even groot als het Thijssepark. Het lijkt echter veel kleiner door de indeling. Het meertje is ooit ontstaan door een doorgebroken dijk. Het park bestaat grotendeels uit veengrond wat tegen beter weten in, steeds opnieuw weer opgehoogd moet worden. Anders verzakt het. Door de zuurstof die er bij komt wordt het verteerd en klinkt het in. Als je er niets aan zou doen, zou het binnen twee jaar een broekbos worden.
Het ophogen, wieden, baggeren van de vijver, het renoveren van de bruggen, en ander grondwer,k wordt door vier mensen gedaan, fulltime.
Het park kost veel geld maar het is de inwoners van Amstelveen er veel aan gelegen om ze te behouden; men is trots op zijn parken en daarom staan hier nog steeds geen luxe woningen!
Gespotte vogels (niet door mij, want ik was druk aan het opschrijven): Halsbandparkiet (met rode bef), vlaamse gaai, meerkoeten (ong. 30 stuks, en aardig om te weten is dat je ze heel makkelijk kunt pakken als je je hand boven de plek houdt waar ze onder water zijn gedoken; ze komen nl. altijd weer op dezelfde plek boven..), merel, groene specht (jaagt op mieren en goed te zien omdat ze ‘s winters altijd op plekken zoeken waar het pas gemaaid is), blauwe reiger (zit er het hele jaar door), zwanen en krakeenden. Krakeenden pakken het eten van de meerkoet, zodra deze duikt en zijn eten loslaat.
Het park kent veel wintergasten, waaronder de nijlgans, kuifeenden en aalscholvers (als de vijver openblijft/niet dichtvriest). Aalscholvers hebben geen vetklieren, i.t.t. veel andere vogels; als ze uit het water komen zijn ze loeizwaar van het water. Ze spreiden dan hun vleugels om ze te drogen.
Bas attendeert ons op een groot spechtengat; de specht denkt een insect te zien en begint een gat te hakken in een boom.
Ook wijst hij ons op de niche van een koolmees; een houten vogelhuisje want er zijn geen oude rotte bomen om gaatjes in te maken. Als het gat van het vogelhuisje klein is, diameter 2 euro, dan zit er een pimpelmeesje in. Is het gat groter, dan past het koolmeesje erdoor en verjaagt hij de pimpelmees.
We zien al uitlopers van de daslook en de zomerklokjes…
Weinig paddenstoelen; zwavelkoppen, geweizwammen, rode meniezwam en een niet gedetermineerde plaatjeszwam.
Later kwam Carla nog met een vondst; het viltig judasoortje, gevonden op een oude stronk.
De haagbeuk is te herkennen aan zijn gespierde stam. Jonge exemplaren houden hun blaadjes vast om hun knoppen te beschermen.
Dubbelloof, een varensoort, heeft groene bladeren voor fotosynthese en aparte voor sporen; deze staan hoger dan de rest en vangen meer wind, voor de verspreiding.
Gelukkig liet Anthonie ons nu de binnenkant van zijn werkkeet zien, waardoor mijn vingers weer konden ontdooien en we allemaal werden getrakteerd op koffie.
Lang leve Anthonie!
Helaas was er dit keer niemand jarig dus geen zangpartijen en koek..
Hannie vertelde nog even waar het woord pechvogel vandaan kwam; de pechvogel is gemaakt van stof en werd vroeger naar een lastige leerling gegooid. Deze ving hem op, bracht hem naar de meester/juf terug, en kreeg als dank een mep met een meetlat of riet op de de handen.
Allemaal een goed nieuw jaar gewenst!
Groet, Brigit van Tongeren
zaterdag 12 december
Excursieverslag Park De Braak
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.
Gert-Jan Roebersen.
Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes
Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje
Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro
Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad
Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor
Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai
Insecten:
Lieveheersbeest
Mug
Overig:
Zoetwatermossel (schelp)
Hoe komen we de winter door? 12 december 2009
Wij verzamelden bij de banpaal aan de Amsterdamseweg. Op deze paal uit 1625 staat Terminus proscriptionis, daaronder vertaald als “Uiterste palen der ballingen”. Deze banpaal was oorspron-kelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats 'Elsrijk'. De ban (het rechts-gebied) van Amsterdam reikte tot 5 mijl (± 7½ km) uit het centrum van de stad; een banneling mocht daar niet voorbij gaan. Van de zes banpalen die er rond Amsterdam stonden zijn er nog drie over. De andere twee staan aan de Amsteldijk Noord bij nr. 65 en in het oude dorp Sloten.
Park De Braak is in 1939 gesticht in de toen gebouwde villawijk aan de Amsterdamseweg. Als reactie op de “mislukking” van het Broersepark (1927), waarin de exoten het op veengrond slecht deden, heeft C.P. Broerse, directeur van de Plantsoenendienst, besloten dit park te beplanten met veen¬planten en een kas neer te zetten voor kweek. De naam komt van een oude dijkdoorbraak van de Nieuwe Meer.
De Kardinaalsmuts droeg nog de laatste vruchtjes en was herkenbaar aan de “pyamastrepen” op de bast. Ik ging met het groepje van Wies mee, waarin ook de gidsen Albert en Bep, en cursisten Marit, Margo en Alex meeliepen. Albert wees ons op een nog juveniele Blauwe Reiger met grijsblauwe veren en gele snavel, die overigens snel opvloog.
Thema voor de wandeling: natuur in de winter. Bomen laten hun blad vallen omdat er onvoldoende zonlicht is voor fotosynthese, en bladeren wel vocht verdampen en wind vangen. Jonge haagbeuken en eiken houden echter het dorre blad vast ter bescherming tegen de kou; het blad krult op en vangt minder wind. De op de grond gevallen bladeren isoleren de kleine planten en dieren eronder. Onder verdorde varenstruiken heerst een zacht microklimaat voor dieren en planten.
Sommige planten kunnen met hun groene delen de vorst weerstaan omdat zij “antivries” in hun bladeren hebben, een vrij geconcentreerde oplossing van o.a. suikers.
We zagen een Stengelloze Sleutelbloem in bloei, later nog bloeiende anjers, Gaspeldoorn en Verfbrem en een klokje. Zelfs enkele plantjes van de merendeels uitgebloeide Dopheide vertoonden nog bloemen.
Verschillende planten konden we alleen aan de bladvorm herkennen; dat viel niet altijd mee. De winter is wel de ideale tijd voor mos, en dankzij Wies hebben we “tig” soorten leren kennen.
In De Braak zitten behalve watervogels ook andere soorten, zoals lawaaiige halsbandparkieten, kraaiachtigen en mezen. Leuk was dat Marit op een zonnig moment de feloranje borst van een Boomklever op een tak ontdekte.
Zelfs op deze winterse dag groeiden er nog enkele paddestoelen: piepklein Geel hoorntje op hout, her en der Elfenbankjes, Geweizwam en Geelbruine Plaatjeshoutzwam. Interessant was ook het Schaafstro, volgens Wies een voorbeeld van apicale dominantie: de stengeltop (apex) bevat het meeste groeihormoon, dus er ontwikkelen zich geen zijscheuten – tenzij de top wordt beschadigd, dan zie je allerlei vertakkingen. De as van het schaafstro bevat veel kiezel en is dus een geschikt schuurmiddel, vandaar de naam.
We hadden het behoorlijk koud gekregen op deze eerste echt winterse dag, dus het was een aangename verrassing dat Anthony – aldaar werkzaam – de directiekeet voor ons openstelde en warme koffij uitschonk. Daarom kan ik hem vergeven dat hij mijn pet in een zijkamertje verstopte, zodat ik met koude oren terug dreigde te moeten. Ach, volgens Carla wordt door de natuurgidsen onderling veel gedold, dus wij beginnen het aardig te leren. Brigit zwijmelde bij een Viltig Judasoor.
Verkwikt verdergaand zagen we nog de opvallend gladde stam van de Lijsterbes. Omdat de zon intussen warmer was gaan schijnen kwam er een enkel Lieveheersbeest en een mugje (of twee?) tevoorschijn. De gewone brem (Bezembrem) blijkt met de knalgroene takken ook ’s winters aan fotosynthese te doen. Een gapende zoetwatermossel naast de sloot viel ook op.
Wij hadden de kou lang genoeg getrotseerd, tenslotte moeten wij ook de winter door. Na elkaar prettige feestdagen te hebben gewenst gingen we huiswaarts.
Gert-Jan Roebersen.
Bomen en struiken:
Berk (Betula sp.)
Bezembrem
Brem
Eik (Quercus sp.)
Els
Gagel
Gaspeldoorn
Gelderse roos
Haagbeuk
Hulst (mineersporen)
Jeneverbes
Kamperfoelie (parasiet op boom)
Kornoelje
Kruipwilg
Lijsterbes
Meidoorn (eenstijlig)
Spaanse aak
Stekelbrem
Verfbrem
Zuurbes
Planten:
Beenbreek
Bosanemoon
Dopheide
Gele dovenetel
Kardinaalsmuts
Kraaiheide
Moeraswespenorchis
Muurpeper
Paarbladig goudveil
Riet
Steenanjer
Stengelloze sleutelbloem
Struikheide
Veenbes
Vossebes
Vrouwenmantel
Wrangwortel (Helleborus viridus)
Zomerklokje
Sporenplanten:
Gewone eikvaren
Reuzenpaardenstaart
Schaafstro
Mossen:
Bekermos
Gaffeltand
Groot laddermos
Haakmos
Haarmos
Klauwtjesmos
Levermos
Pluisdraad
Paddestoelen:
Elfenbankjes
Geelbruine plaatjeshoutzwam
Geelhoorntje
Geweizwam
Krulzwam
Viltig Judasoor
Vogels:
Aalscholver
Blauwe reiger
Boomklever
Ekster
Goudhaan
Halsbandparkiet
Knobbelzwaan
Koolmees
Krakeend
Kuifeend ♀
Meerkoet
Soepeend
Zwarte kraai
Insecten:
Lieveheersbeest
Mug
Overig:
Zoetwatermossel (schelp)
donderdag 3 december 2009
zaterdag 21 november
Vogeleiland 21 november 2009 10.00 – 13.00 uur
Woensdag was er regen en narigheid voorspeld en met de regenachtige ochtend in park Lagerhuis in gedachte gingen we vol goede moed op weg. Gelukkig was het goed weer, zelfs eindigend in stralend.
In 2 groepen hebben we langs 10 meter touw geïnventariseerd welke planten we wisten te herkenen aan de vegetatieve kenmerken. Wij begonnen langs daar waar het zompig was. Allereerst ging onze belangstelling uit naar de rode vruchten van de Gelderse roos. Deze giftige vruchten worden niet gewaardeerd door onze vogels. In de winter, komen er vaak pestvogels die van Gelderse roos naar Gelderse roos trekken.
Langs de lijn:
Zomprus
Moerasspirea
Weegbree
Kale Jonker
Akkerdistel
Rolklaver
(Oever)zegge
Bies
Watermunt
Hertshooi
Engelwortel
Kruipende boterbloem
Wilgenroosje
Kleine valeriaan
Pinksterbloem
Boogsterrenmos
Gerimpeld boogsterrenmos
Rimpelmos
Kleine Water Eppe
Wilde Bosrank
Er vliegt een sperwer over, te herkennen aan het fladderen afgewisseld met zweven. Een sperwer bid niet en heeft een lange staart.
Turkse Hazelaar
Langs de tweede lijn:
Bieslook
Wollige Munt
Mierikswortel
Raapzaad
Inheemse bereklauw
Ridderzuring
Smeerwortel
Kweek
Blauwe knoop (niet helemaal langs de lijn)
Hondsdraf
Klein streepzaad
Ereprijs
Kleefkruid
Vogelmuur
Biggekruid
Zevenblad
Paardenbloem
Dikkopmos
Libel (vrouwtje van de blauwe glazenmaker, haar lichte delen zijn doorgaans groen en haar ogen hebben geen blauw, zie foto onderaan)
Goudhaantje
Sijsjes
Roodborstje
Mossen
De mossen zijn ingedeeld in bladmossen, levermossen en hauwmossen.
De bladmossen zijn onderverdeeld in topkapselmossen, slaapmossen en veenmossen.
Mossen onderscheiden zich van andere sporeplanten door hun levenscyclus: uit een spore (rechtsonder) groeit een voorkiem (protonema)(onder) en daaruit een mosplantje (de gametofyt)(centraal), waarop vervolgens een sporekapsel (sporofyt) gaat groeien. Uit het sporekapsel komen de sporen.
Woensdag was er regen en narigheid voorspeld en met de regenachtige ochtend in park Lagerhuis in gedachte gingen we vol goede moed op weg. Gelukkig was het goed weer, zelfs eindigend in stralend.
In 2 groepen hebben we langs 10 meter touw geïnventariseerd welke planten we wisten te herkenen aan de vegetatieve kenmerken. Wij begonnen langs daar waar het zompig was. Allereerst ging onze belangstelling uit naar de rode vruchten van de Gelderse roos. Deze giftige vruchten worden niet gewaardeerd door onze vogels. In de winter, komen er vaak pestvogels die van Gelderse roos naar Gelderse roos trekken.
Langs de lijn:
Zomprus
Moerasspirea
Weegbree
Kale Jonker
Akkerdistel
Rolklaver
(Oever)zegge
Bies
Watermunt
Hertshooi
Engelwortel
Kruipende boterbloem
Wilgenroosje
Kleine valeriaan
Pinksterbloem
Boogsterrenmos
Gerimpeld boogsterrenmos
Rimpelmos
Kleine Water Eppe
Wilde Bosrank
Er vliegt een sperwer over, te herkennen aan het fladderen afgewisseld met zweven. Een sperwer bid niet en heeft een lange staart.
Turkse Hazelaar
Langs de tweede lijn:
Bieslook
Wollige Munt
Mierikswortel
Raapzaad
Inheemse bereklauw
Ridderzuring
Smeerwortel
Kweek
Blauwe knoop (niet helemaal langs de lijn)
Hondsdraf
Klein streepzaad
Ereprijs
Kleefkruid
Vogelmuur
Biggekruid
Zevenblad
Paardenbloem
Dikkopmos
Libel (vrouwtje van de blauwe glazenmaker, haar lichte delen zijn doorgaans groen en haar ogen hebben geen blauw, zie foto onderaan)
Goudhaantje
Sijsjes
Roodborstje
Mossen
De mossen zijn ingedeeld in bladmossen, levermossen en hauwmossen.
De bladmossen zijn onderverdeeld in topkapselmossen, slaapmossen en veenmossen.
Mossen onderscheiden zich van andere sporeplanten door hun levenscyclus: uit een spore (rechtsonder) groeit een voorkiem (protonema)(onder) en daaruit een mosplantje (de gametofyt)(centraal), waarop vervolgens een sporekapsel (sporofyt) gaat groeien. Uit het sporekapsel komen de sporen.
dinsdag 17 november 2009
zaterdag 7 november
Excursie park Langerhuizen 7 november 2009
Regen, regen en nog wat meer water. Deze zware depressie trok over ons heen, maar had gelukkig geen weerslag op de groep. Vol goede moed en met een opperbest humeur begonnen we aan de excursie. De eerste 20 minuten werden verzorgd door Jaap, Femke en Birgit. Zij vertelden ons achtereenvolgens iets over de ontstaansgeschiedenis, de bolgewassen, het ecologische beheer en de paddenstoelen. Daarna namen Wies, Carla en Bas de rondleiding over en vertelden ons over de ecologie en rondleidingtechnieken.
Na een rommelig begin neemt Jaap het woord en vertelt over de ontstaansgeschiedenis. Het park is aangelegd in 1960 en was eigendom van meneer Muntz die er woonde in boerderij Langerhuizen. Hij heeft er allemaal populieren laten planten, met als doel deze bomen na ongeveer 40 jaar te kappen. Het moest dus een kapbos worden. Jaren later is de boerderij verdwenen en de grond voor veel geld verkocht.
Dit parkje staat vooral bekend om haar vele knol –en bolgewassen. Zo vind je hier veel narcissen, wilde hyacinten, sneeuwklokken, holwortel, daslook, herfststijlloos en paarse schubwortel. De paarse schubwortel is na de sneeuwklokken een van de vroegste bloeiers in ons land. Eind februari – begin maart is de plant al te zien. De prachtige fel paarse bloemen zijn een echte blikvanger en kunnen enorme plakkaten vormen. De plant heeft geen blad, maar witte schubben onderaan de stengel. De paarse schubwortel is een parasiet die vooral huist op de wortels van populier en wilg.
Femke legt ons uit hoe en waarom ‘slechte’ bomen worden geringd en niet gekapt. De boom rond wordt er een stuk bast weggezaagd, waardoor de sapstroom stopt. Hierdoor sterft de boom sneller af en krijg je “staand dood hout”. Dit is vooral goed voor allerlei insecten, paddenstoelen en spechten. De spechtengaten zijn dan ook volop aanwezig en duidelijk waarneembaar. Er is niet alleen “staand dood hout”, maar ook “liggend dood hout”. Dit zijn gekapte bomen waarvan men de stam op de grond laat liggen. Dit trekt weer andere insecten en paddenstoelen dan “staand dood hout”. Na het wegtrekken van een stukje bast treffen we hier spinnetjes, pissebedden en een bruine kikker aan. Het snoeihout(takken) en de dode takken worden gebruikt voor het maken van takkenrillen. Deze zijn uitermate geschikt voor kleine zoogdieren, zoals bunzing, hermelijn, egels en muizen. Maar niet alleen voor kleine zoogdieren zijn de takkenrillen belangrijk, ook paddenstoelen, insecten en zangvogels hebben er baat bij.
Onder de bezielende leiding van Birgit worden we door de bosjes meegesleurd opzoek naar paddenstoelen. Van reuzenbovist tot rode meniezwam en van houtskoolzwam tot gekrulde aardster, ze weet ze allemaal te vinden. Op een staande dode berk zit een tonderzwam, dat er elk jaar een ring bij krijgt. Op een liggende dode berk treffen we zwavelkopjes aan met hun mooie geel, grauwe hoed. Verderop in een takkenril ligt een tak van een vlier en, u raadt het al, natuurlijk vinden we hier het judasoor. Op de grond vinden we de hertenzwam en niet ver daarvandaan ligt het gewei(zwammetje).
Na de iets uitgelopen, maar zeer leuke rondleiding van dit trio was de beurt aan het volgende trio. Wies, Carla en Bas stonden te popelen om het over te nemen en staken direct van wal. Bas legde een rondleidingtechniek aan de hand van bladeren uit. Zo is het handiger om in plaats van meteen alles te benoemen eerst verschillende bladeren te verzamelen, even wachten op een goed moment en dan pas de verschillen laten zien. Het verschil in grootte, de kleurverschillen en verschillende soorten vraat zijn dan goed zichtbaar. Bij vraat bijvoorbeeld kun je bij het ene blad goed zien dat het is aangevreten door een rups en het andere blad door een kever. Een rups eet het hele blad op, omdat er kalk in de nerven zit en de rups dit nodig heeft. Een kever heeft dat niet nodig en laat daarom een geraamte over(de nerven van het blad). Door het op deze manier uit te leggen wordt het overzichtelijker en makkelijker voor iedereen. Verder is het erg belangrijk dat je met je gezicht naar je publiek toe gaat staan als je praat.
Even verderop staat Carla een groepje bomen te aaien. Raar, is het eerste dat bij mij opkomt, maar nadat ik het zelf ook gedaan heb toch iets minder raar. Je kunt goed voelen dat de berkenstam warmer is dan die van de wilg en haagbeuk. Bij de berk zit er een luchtlaag in de bast die de boom in de warme periodes koel houdt en in de koude periodes warm houdt.
Bas staat alweer klaar met een blad. Er zit een gele vlek met een bruin kloddertje in het midden van een groen blad. Rara, hoe komt dat? Een insect heeft een eitje afgezet in het blad. Vervolgens eet de larve het bladgroen op. Er ontstaat een gele vlek. En net zoals bij mensen moet die larve ook weleens een poepje doen. Gevolg:bruin kloddertje.
Langs het pad ligt nog een dode stam. Nadat we de bast verwijderd hebben, kun je goed zien dat dood hout leeft. Er verschijnen tientallen pissebedden, bruine kikkers, spinnen en er zijn gangen te zien van rupsen.
En dan volgt het hoogtepunt van de ochtend. We komen er achter dat Marit net jarig is geweest. Heel voorzichtig wordt er een lang zal ze leven ingezet. Al snel slaat het over op de rest van de groep en even later staat iedereen uit volle borst mee te zingen. Hoera, hoera,hoera. Wat een geluid. Alleen de halsbandparkieten krijsen harder. Gefeliciteerd met je 26ste verjaardag.
Na deze prachtige zang liepen we terug over de oude veendijk. Net als in Wilnis is deze niet zo stevig meer en staat eigenlijk op instorten. Onderweg kwamen we nog een paar grote zilverabelen, spierwitte champignons, groene halsbandparkieten en een roodborst tegen. Rond een uur of twaalf was de excursie al afgelopen. Ondanks dat deze iets korter was, was het zeer leerzaam.
Anthony Reijersen van Buuren
16 november 2009
Regen, regen en nog wat meer water. Deze zware depressie trok over ons heen, maar had gelukkig geen weerslag op de groep. Vol goede moed en met een opperbest humeur begonnen we aan de excursie. De eerste 20 minuten werden verzorgd door Jaap, Femke en Birgit. Zij vertelden ons achtereenvolgens iets over de ontstaansgeschiedenis, de bolgewassen, het ecologische beheer en de paddenstoelen. Daarna namen Wies, Carla en Bas de rondleiding over en vertelden ons over de ecologie en rondleidingtechnieken.
Na een rommelig begin neemt Jaap het woord en vertelt over de ontstaansgeschiedenis. Het park is aangelegd in 1960 en was eigendom van meneer Muntz die er woonde in boerderij Langerhuizen. Hij heeft er allemaal populieren laten planten, met als doel deze bomen na ongeveer 40 jaar te kappen. Het moest dus een kapbos worden. Jaren later is de boerderij verdwenen en de grond voor veel geld verkocht.
Dit parkje staat vooral bekend om haar vele knol –en bolgewassen. Zo vind je hier veel narcissen, wilde hyacinten, sneeuwklokken, holwortel, daslook, herfststijlloos en paarse schubwortel. De paarse schubwortel is na de sneeuwklokken een van de vroegste bloeiers in ons land. Eind februari – begin maart is de plant al te zien. De prachtige fel paarse bloemen zijn een echte blikvanger en kunnen enorme plakkaten vormen. De plant heeft geen blad, maar witte schubben onderaan de stengel. De paarse schubwortel is een parasiet die vooral huist op de wortels van populier en wilg.
Femke legt ons uit hoe en waarom ‘slechte’ bomen worden geringd en niet gekapt. De boom rond wordt er een stuk bast weggezaagd, waardoor de sapstroom stopt. Hierdoor sterft de boom sneller af en krijg je “staand dood hout”. Dit is vooral goed voor allerlei insecten, paddenstoelen en spechten. De spechtengaten zijn dan ook volop aanwezig en duidelijk waarneembaar. Er is niet alleen “staand dood hout”, maar ook “liggend dood hout”. Dit zijn gekapte bomen waarvan men de stam op de grond laat liggen. Dit trekt weer andere insecten en paddenstoelen dan “staand dood hout”. Na het wegtrekken van een stukje bast treffen we hier spinnetjes, pissebedden en een bruine kikker aan. Het snoeihout(takken) en de dode takken worden gebruikt voor het maken van takkenrillen. Deze zijn uitermate geschikt voor kleine zoogdieren, zoals bunzing, hermelijn, egels en muizen. Maar niet alleen voor kleine zoogdieren zijn de takkenrillen belangrijk, ook paddenstoelen, insecten en zangvogels hebben er baat bij.
Onder de bezielende leiding van Birgit worden we door de bosjes meegesleurd opzoek naar paddenstoelen. Van reuzenbovist tot rode meniezwam en van houtskoolzwam tot gekrulde aardster, ze weet ze allemaal te vinden. Op een staande dode berk zit een tonderzwam, dat er elk jaar een ring bij krijgt. Op een liggende dode berk treffen we zwavelkopjes aan met hun mooie geel, grauwe hoed. Verderop in een takkenril ligt een tak van een vlier en, u raadt het al, natuurlijk vinden we hier het judasoor. Op de grond vinden we de hertenzwam en niet ver daarvandaan ligt het gewei(zwammetje).
Na de iets uitgelopen, maar zeer leuke rondleiding van dit trio was de beurt aan het volgende trio. Wies, Carla en Bas stonden te popelen om het over te nemen en staken direct van wal. Bas legde een rondleidingtechniek aan de hand van bladeren uit. Zo is het handiger om in plaats van meteen alles te benoemen eerst verschillende bladeren te verzamelen, even wachten op een goed moment en dan pas de verschillen laten zien. Het verschil in grootte, de kleurverschillen en verschillende soorten vraat zijn dan goed zichtbaar. Bij vraat bijvoorbeeld kun je bij het ene blad goed zien dat het is aangevreten door een rups en het andere blad door een kever. Een rups eet het hele blad op, omdat er kalk in de nerven zit en de rups dit nodig heeft. Een kever heeft dat niet nodig en laat daarom een geraamte over(de nerven van het blad). Door het op deze manier uit te leggen wordt het overzichtelijker en makkelijker voor iedereen. Verder is het erg belangrijk dat je met je gezicht naar je publiek toe gaat staan als je praat.
Even verderop staat Carla een groepje bomen te aaien. Raar, is het eerste dat bij mij opkomt, maar nadat ik het zelf ook gedaan heb toch iets minder raar. Je kunt goed voelen dat de berkenstam warmer is dan die van de wilg en haagbeuk. Bij de berk zit er een luchtlaag in de bast die de boom in de warme periodes koel houdt en in de koude periodes warm houdt.
Bas staat alweer klaar met een blad. Er zit een gele vlek met een bruin kloddertje in het midden van een groen blad. Rara, hoe komt dat? Een insect heeft een eitje afgezet in het blad. Vervolgens eet de larve het bladgroen op. Er ontstaat een gele vlek. En net zoals bij mensen moet die larve ook weleens een poepje doen. Gevolg:bruin kloddertje.
Langs het pad ligt nog een dode stam. Nadat we de bast verwijderd hebben, kun je goed zien dat dood hout leeft. Er verschijnen tientallen pissebedden, bruine kikkers, spinnen en er zijn gangen te zien van rupsen.
En dan volgt het hoogtepunt van de ochtend. We komen er achter dat Marit net jarig is geweest. Heel voorzichtig wordt er een lang zal ze leven ingezet. Al snel slaat het over op de rest van de groep en even later staat iedereen uit volle borst mee te zingen. Hoera, hoera,hoera. Wat een geluid. Alleen de halsbandparkieten krijsen harder. Gefeliciteerd met je 26ste verjaardag.
Na deze prachtige zang liepen we terug over de oude veendijk. Net als in Wilnis is deze niet zo stevig meer en staat eigenlijk op instorten. Onderweg kwamen we nog een paar grote zilverabelen, spierwitte champignons, groene halsbandparkieten en een roodborst tegen. Rond een uur of twaalf was de excursie al afgelopen. Ondanks dat deze iets korter was, was het zeer leerzaam.
Anthony Reijersen van Buuren
16 november 2009
woensdag 11 november 2009
zaterdag 7 november
Locatie: park Langerhuize
Thema: Ecologie onder leiding van Wies, Carla en Bas
Op deze regenachtige zaterdagochtend ontmoeten wij elkaar bij de ingang van park Langerhuize.
Femke, Birgit en Jaap hebben zich voorbereid om een en ander te vertellen over dit gebied.
Jaap licht de ontstaansgeschiedenis van het gebied toe en vertelt over bijzondere planten die hier in dit seizoen alleen nog ondergronds aanwezig zijn. Er staan veel sneeuwklokjes, wilde hyacinthen en paarse schubwortel. De schubwortel parasiteert op wortels van de populier en de wilg, soms op wortels van de els en de hazelaar.
Jaap heeft een knol van de herfststijlloos met uitlopers meegenomen. Herfststijlloos heeft geen blad, de lila bloem lijkt op een krokus en komt rechtstreeks uit de knol. In het begin van de herfst zijn deze bloemen hier te vinden.
Femke laat zien dat sommige bomen “geringd” zijn. In de bast is circulair een verwonding aangebracht om toch al ten dode opgeschreven bomen versneld te laten afsterven. De dode boom levert goede mogelijkheden voor vogels zoals de specht en ook voor insecten. De sporen van deze Verslag van de IVN Natuurgidsencursusexcursie op 7 november 2009
dieren zijn goed waarneembaar.
Ook vertelt zij over de hier en daar aangebrachte takkenrillen die een goede schuilplaats vormen voor bijvoorbeeld de bunzing, egel, hermelijn en insecten. De aanwezigheid van insecten is weer van nut voor de vogels.
Birgit heeft zich toegelegd op de paddenstoelensoorten. De soorten die wij gezien hebben zijn o.a.
de hertenzwam, bundelmycena, reuzenbovist, zwavelkop, judasoor, taailing en de gekraagde aardster. Op oud hout groeien het geweizwammetje, de rode meniezwam, het oranje knoopje en houtskoolzwammetjes.
De bedoeling van de ochtend is om ons bezig te houden met de ecologie van het landschap.
Carla heeft graafgereedschap, loeppotjes en dergelijke meegenomen. Door de barre weersomstandigheden hebben wij ons beperkt tot het vangen van een miljoenpoot en een Aziatisch lieveheersbeestje met witte wangplaten.
Bas vertelt over de invloed van het licht op de bomen. De natuur ontmengt de kleuren van het blad: het donkere groen wordt onttrokken aan het blad en wordt via het steeltje terug in het takje gebracht. Daar wordt de energie opgeslagen.
De vraatsporen van insecten zien we in een aantal boombladeren. De nerven van bladeren hebben een hoog kalkgehalte. Kevers houden hier niet van en knagen rondom de nerven. Slakken en rupsen daarentegen eten vanaf de rand van het blad inclusief de nerven.
Larfjes laten vaak een netwerkje in het blad staan.
Er staan drie grote bomen langs het pad, een wilg, een berk en een haagbeuk. Als we gevoeld hebben aan de respectievelijke stammen komen we tot de conclusie dat de stam van de berk het warmst aanvoelt. Dat komt door het luchtlaagje, een soort bontjasje, dat tussen de bast en de stam zit. Daarna volgt de wilg, die een dikke onregelmatige bast heeft. De gladde buitenkant van de haagbeuk voelt ijskoud aan.
Aan het eind van het pad staan we op de Veendijk die bezig is langzaam in te storten net zoals in Wilnis niet zo lang geleden is gebeurd.
We zien daar nog een aantal bijzonderheden zoals:
zwarte nachtschade
peterselievlier
reuzenzwam
stijfselzwam
een uilenkast
een groene kikker die onder schors van een oude gevelde boom bivakkeert
Verder hebben we verscheidene bruine kikkertjes gezien en restantjes van een rivierkreeftje, waarschijnlijk door een reiger of kraai gepakt.
Vogels: roodborst en veel luidruchtige halsbandparkieten.
Iets eerder dan gewoonlijk is de excursie beëindigd. In min of meer deplorabele toestand is de ene helft van de groep rillerig naar huis gegaan. De anderen hebben bij Carla thuis nog koffie gedronken.
Ondanks de weersomstandigheden was het vandaag alweer de moeite waard en viel er veel te leren.
Ida Oosterhof
7 november 2009
Thema: Ecologie onder leiding van Wies, Carla en Bas
Op deze regenachtige zaterdagochtend ontmoeten wij elkaar bij de ingang van park Langerhuize.
Femke, Birgit en Jaap hebben zich voorbereid om een en ander te vertellen over dit gebied.
Jaap licht de ontstaansgeschiedenis van het gebied toe en vertelt over bijzondere planten die hier in dit seizoen alleen nog ondergronds aanwezig zijn. Er staan veel sneeuwklokjes, wilde hyacinthen en paarse schubwortel. De schubwortel parasiteert op wortels van de populier en de wilg, soms op wortels van de els en de hazelaar.
Jaap heeft een knol van de herfststijlloos met uitlopers meegenomen. Herfststijlloos heeft geen blad, de lila bloem lijkt op een krokus en komt rechtstreeks uit de knol. In het begin van de herfst zijn deze bloemen hier te vinden.
Femke laat zien dat sommige bomen “geringd” zijn. In de bast is circulair een verwonding aangebracht om toch al ten dode opgeschreven bomen versneld te laten afsterven. De dode boom levert goede mogelijkheden voor vogels zoals de specht en ook voor insecten. De sporen van deze Verslag van de IVN Natuurgidsencursusexcursie op 7 november 2009
dieren zijn goed waarneembaar.
Ook vertelt zij over de hier en daar aangebrachte takkenrillen die een goede schuilplaats vormen voor bijvoorbeeld de bunzing, egel, hermelijn en insecten. De aanwezigheid van insecten is weer van nut voor de vogels.
Birgit heeft zich toegelegd op de paddenstoelensoorten. De soorten die wij gezien hebben zijn o.a.
de hertenzwam, bundelmycena, reuzenbovist, zwavelkop, judasoor, taailing en de gekraagde aardster. Op oud hout groeien het geweizwammetje, de rode meniezwam, het oranje knoopje en houtskoolzwammetjes.
De bedoeling van de ochtend is om ons bezig te houden met de ecologie van het landschap.
Carla heeft graafgereedschap, loeppotjes en dergelijke meegenomen. Door de barre weersomstandigheden hebben wij ons beperkt tot het vangen van een miljoenpoot en een Aziatisch lieveheersbeestje met witte wangplaten.
Bas vertelt over de invloed van het licht op de bomen. De natuur ontmengt de kleuren van het blad: het donkere groen wordt onttrokken aan het blad en wordt via het steeltje terug in het takje gebracht. Daar wordt de energie opgeslagen.
De vraatsporen van insecten zien we in een aantal boombladeren. De nerven van bladeren hebben een hoog kalkgehalte. Kevers houden hier niet van en knagen rondom de nerven. Slakken en rupsen daarentegen eten vanaf de rand van het blad inclusief de nerven.
Larfjes laten vaak een netwerkje in het blad staan.
Er staan drie grote bomen langs het pad, een wilg, een berk en een haagbeuk. Als we gevoeld hebben aan de respectievelijke stammen komen we tot de conclusie dat de stam van de berk het warmst aanvoelt. Dat komt door het luchtlaagje, een soort bontjasje, dat tussen de bast en de stam zit. Daarna volgt de wilg, die een dikke onregelmatige bast heeft. De gladde buitenkant van de haagbeuk voelt ijskoud aan.
Aan het eind van het pad staan we op de Veendijk die bezig is langzaam in te storten net zoals in Wilnis niet zo lang geleden is gebeurd.
We zien daar nog een aantal bijzonderheden zoals:
zwarte nachtschade
peterselievlier
reuzenzwam
stijfselzwam
een uilenkast
een groene kikker die onder schors van een oude gevelde boom bivakkeert
Verder hebben we verscheidene bruine kikkertjes gezien en restantjes van een rivierkreeftje, waarschijnlijk door een reiger of kraai gepakt.
Vogels: roodborst en veel luidruchtige halsbandparkieten.
Iets eerder dan gewoonlijk is de excursie beëindigd. In min of meer deplorabele toestand is de ene helft van de groep rillerig naar huis gegaan. De anderen hebben bij Carla thuis nog koffie gedronken.
Ondanks de weersomstandigheden was het vandaag alweer de moeite waard en viel er veel te leren.
Ida Oosterhof
7 november 2009
woensdag 21 oktober 2009
zaterdag 26-09-2009
Excursie Diersporen
26-09-2008
Nationaal Park Zuid-Kennemerland
Bloemendaal
Verslag: Erik Weenink
Onder de bezielende leiding van Gabriel Bakkum krijgen we onze eerste veldervaringen met diersporen in de duinen rondom het duinmeertje ’t Wed (ingang Koevlak). Nog niet eerder hebben we een rondleiding gehad van iemand die met zo veel enthousiasme wist te vertellen over drollen, keutels en poep. Onze ogen werden geopend.
Gabriel zei dat we geen lange wandelingen hoeven te maken om veel te kunnen zien. Dat blijkt al meteen wanneer we het kleine duinmeertje naderen. We zien vele verschillende afdrukken van diverse Homo Sapiens die al vroeg begonnen zijn met allerlei lichamelijke oefeningen ter bevordering van lichamelijke gezondheid. Maar er blijkt nog veel meer te zijn. Het is fijn dat we het vandaag droog hebben. Maar jammer dat het afgelopen nacht niet heeft geregend, want dan zou er een klein opgedroogd korstje zand aanwezig zijn waarin diersporen uitstekend in kunnen worden afgedrukt. Wel is het zo dat bij warm en zonnig weer die korstjes in de loop van de dag verdwijnen en daarmee vallen de sporen uit elkaar, van vooral de kleine diertjes zoals vogeltjes (vinken), amfibieën (kikkers, padden) en insecten (kevers).
We lopen al snel tegen konijnensporen aan. Die hebben drie kleine afdrukjes in een rechte lijn en een vierde, links naast de voorste afdruk.
Een vossenspoor dient zich aan en al snel blijkt dat die overal te vinden is. Een vossenpoot heeft een kuitje in zijn poot wat een bultje in het zand achterlaat. Er is een zgn “vossenkruis” te tekenen in het spoor (een X). Bij een hond is het meer een (>-<). Dit komt omdat een vossenpoot ovaler is en bij een hond de zijtenen verder uit elkaar staan. Een kronkelend vossenspoor duidt vaak op een zoektocht naar eten. Een recht spoor op het doelgericht ergens naartoe lopen (bv naar huis).
Langs het Wed zijn veel kraaiensporen aanwezig.
Wanneer vogels in een rechte lijn lopen zijn ze vaak op zoek naar water.
Wanneer Vlaamse Gaaien voedsel aan het verzamelen zijn, lopen ze vaak heen en weer in een rechte lijn van de vindplaats (vruchten bv) naar hun verzamelplaats.
In het algemeen zijn vogelsporen extreem moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Meestal tref je, vanuit een middelpunt, drie tenen naar voren aan en een teen loodrecht naar achteren, vanuit dat denkbeeldige middelpunt. Bij een reiger gaat die achterste teen vlak naast dat middelpunt loodrecht naar achteren.
Aboriginals doen heel veel met sporen. Een halve cirkel symboliseert voor hun de mens.
We treffen een sleepspoor aan tussen het potenspoor door loopt. Dit is meestal een staart van bv een eekhoorn. In ons geval is het lastig te zeggen: er lopen misschien twee of meerdere sporen door elkaar heen.
We zien een spoor van een damhert. De rechter en linker poten zitten vlakbij de denkbeeldige middenlijn. We spreken van een gesnoerd spoor.
De duindoorn heeft bessen weet Carla te vertellen. De bessen zijn eetbaar en bevatten heel veel vitamine C maar zijn ook zuur.
We treffen een amfibiespoor aan.
Amfibieën en reptielen bewegen anders. Ze maken rare “flabberspoortjes”.
Een kikker hopt in principe.
Een hagedis laat een sleepspoor achter vanwege zijn staart.
In dit geval is het een pad, herkenbaar aan de streepjes tussen de pootafdrukjes (sleepspoor van de nagels).
Gabriel laat ons een plek zien waar hij vanochtend een groep vinken actief bezig heeft gezien. Vinken hoppen! Geen sleepspoor te zien. Zo te zien waren ze erg ijverig!
Goed kijken levert een keverspoor op. Deze bestaat uit twee rijen van kleine korte schepjes naast elkaar. In de loop van de dag verdwijnen ze door werking van de zon.
We zien runderkeutels. Als het rund ook nog zichtbaar heeft geplast kun je afleiden of het om een mannetje of vrouwtje gaat. Een mannetje plast naar voren en poept naar achteren. Hieruit kun je de positie van de stier op zn moment van toiletteren bepalen. Bij een vrouwtje wordt dat lastiger want die plast en poept allebei naar achteren. Een knappe kop kan dan aan de “hoek van inslag in het zand” de stand van de koe bepalen…
Typisch spoor van een nordic walker: voetstappen, rechte strepen met regelmatig puntjes in het zand aan beide zijden.
We zien gaatjes in een dode boom. Waarschijnlijk van een specht op zoek naar voedsel. Het kunnen ook gaten zijn waar eikels in kunnen worden verstopt (of verstopt zijn geweest). Dat is een heel gedoe voor die specht. Ze zijn dan steeds bezig om te kijken of het past. Gaan ze het weer verplaatsen, opnieuw proberen etc.
Diepe sporen? Dan zijn het veelal hoefgangers. Bv Damhert, ree.
Als het erg diep gaat zie je soms de bijhoeven aan de achterzijde van de poot. Aan de scherpe diepe punt kun je de voorkant van de hoeven herkennen en daarmee de looprichting.
Aan de waterkant zijn veel vogelsporen te verwachten die water komen drinken zoals meeuwen.
We komen een spoor van een ree tegen. Deze is kleiner dan die van een damhert. Aan de voorzijde is ook een punt zichtbaar en de buitenkant van de afdruk is scherp. De achterzijde is minder duidelijk zichtbaar in het zand. Nu zijn geen bijhoeven zichtbaar.
We komen uitgelopen konijnenkeutels tegen.
Gabriel begint over een prachtig boek uit de jaren ’50:
“ The private life of the rabbit”, Lockly.
De tekenfilm “ Waterschapheuvel” is hier voor een groot deel op gebaseerd.
In het zand zien we een lang spoor, met een scheurtje aan de bovenkant. Vakkundig snijdt Gabriel er een plakje uit. Het blijkt een gangetje te zijn van iets als een worm
Gabriel blijkt een enorme passie voor diersporen te hebben en de verhalen volgens elkaar in rap tempo op.
Hij vertelt over mollen in de winter wanneer er sneeuw op de bevroren ondergrond ligt. De mollen kunnen niet meer in de grond graven en gaan hun gangen in de sneeuw graven. Wanneer de sneeuw gaat smelten wordt het graafspoor zichtbaar.
(Wat gaan mollen eigenlijk doen wanneer de grond bevroren is en er ligt geen sneeuw?)
Veel dieren gaan naar het water om te drinken, zoals rund, paard, schaap. Maar niet alle roofdieren gaan naar het water om te drinken: zij zoeken prooidieren.
We vinden een geleiachtige massa aan de waterkant: “sterrenschot”. Dit zijn de onverteerbare eileiders van kikkers/padden die zijn uitgespuwd door reigers. We zien nu inderdaad ook een reigerspoor.
Enthousiast toont Gabriel ons sporen van een marterachtige. Vier tot vijf tenen, in een kransje. Een marterachtige maakt een viersprong: alle vier poten bij elkaar, rug krom, en tijdens de sprong de rug recht. In gedachten zien we het beestje al voorbij springen alsof het een soort dansje uitvoert. Het is nu niet te zeggen welke soort het is. Het onderscheid hangt af van de maten. Foto’s met een liniaal zijn gemaakt.
Veel dieren zijn in de schemering actief.
We komen op een plek langs de waterkant die totaal is platgetrapt, waarschijnlijk gisteravond en/of vanochtend. In de zomer is het vaak een schaapskunne. In dit geval zien we in ieder geval: damhert, ree en vos.
We lopen van het water af richting duinen. We zien een hele mooie keutel!
Er ontstaat hilariteit in de groep onder leiding van een enthousiaste Gabriel.
Het is een versteende drol van een rund!
We zijn nog niet uitgesproken over konijnen. Hier kun je een hele studie van maken. Bijvoorbeeld over het keutelgedrag van konijnen. Dit is erg variërend en er zijn nog veel zaken onduidelijk. Waarschijnlijk speelt territoriumgedrag soms ook een rol.
Bij een afrastering of hek komen vaak sporen uit (wissels). Deze loopt dan verder door langs het hek of anders er onderdoor als het een klein dier betreft.
Vaak kun je hier haren aantreffen met name aan prikkeldraad.
We vinden een dode spitsmuis. We vragen ons af hoe deze is gestorven. Er is geen bloed zichtbaar of sporen van vraat. Misschien een natuurlijke dood? Het diertje is slap, wat de vraag oproept hoe lang het al dood is. Gabriel legt ons kort uit hoe het zit met lijkstijfheid, “ Rigor Mortes”. Een paar uur na de dood treedt de stijfheid op. Maar dit is tijdelijk want na een paar uur wordt het lijk weer slap.
We zien langs een wissel een overhangende tak met wat haar. Het lijkt aan de hoge kant voor een konijn en zelfs een vos. Maar het is heel zacht haar, zijdezacht. Misschien toch een konijn?
We zien aangevreten dennenappels.
Soms denken we dat ze zijn aangevreten maar zijn ze gewoon door ouderdom uiteengevallen. Goed kritisch kijken dus.
Eekhoorns eten de dennenappels in de boom op maar doen dit slordig. De dennenappels worden rafelig.
Muizen hebben kleinere tandjes en eten veel egaler. Zij laten de dennenappels wat netter achter.
Nog napratend over het spoor van de marterachtige, komt de “wezeldans” ter sprake.
Deze beestjes dansen rondom hun prooi die als het ware worden gehypnotiseerd (bv konijnen) totdat ze toeslaan.
Als toegift van deze interessante excursie zijn we met een kleine groep naar het Middenduin gegaan. Dit bevindt zich achter het bezoekerscentrum “de Zandwaaier”.
Dit is een prachtige vallei te midden van bosrijke duinen. De duinen die hier stonden zijn afgegraven om een aantal grachten in Haarlem te dempen. We zijn langs de rand gelopen naar het zwarteveldmeertje. Hoewel het uitzonderlijk schijnt te zijn hebben we de hele wisentenkudde kunnen zien! Een populatie van 8 tot 10 exemplaren waarvan 6 kalveren (4 kleintjes).
Soms kwamen we ook een paar floristische zaken tegen:
Groene ossentong.
Kardinaalsmuts (2-zaadlobbig). Prachtige rode vrucht (niet eetbaar!).
Wilde tijm.
Geel walstro.
Glad parelzaad.
Ik weet zeker dat de meesten van ons met een andere blik naar diersporen kijken dankzij Gabriel!
26-09-2008
Nationaal Park Zuid-Kennemerland
Bloemendaal
Verslag: Erik Weenink
Onder de bezielende leiding van Gabriel Bakkum krijgen we onze eerste veldervaringen met diersporen in de duinen rondom het duinmeertje ’t Wed (ingang Koevlak). Nog niet eerder hebben we een rondleiding gehad van iemand die met zo veel enthousiasme wist te vertellen over drollen, keutels en poep. Onze ogen werden geopend.
Gabriel zei dat we geen lange wandelingen hoeven te maken om veel te kunnen zien. Dat blijkt al meteen wanneer we het kleine duinmeertje naderen. We zien vele verschillende afdrukken van diverse Homo Sapiens die al vroeg begonnen zijn met allerlei lichamelijke oefeningen ter bevordering van lichamelijke gezondheid. Maar er blijkt nog veel meer te zijn. Het is fijn dat we het vandaag droog hebben. Maar jammer dat het afgelopen nacht niet heeft geregend, want dan zou er een klein opgedroogd korstje zand aanwezig zijn waarin diersporen uitstekend in kunnen worden afgedrukt. Wel is het zo dat bij warm en zonnig weer die korstjes in de loop van de dag verdwijnen en daarmee vallen de sporen uit elkaar, van vooral de kleine diertjes zoals vogeltjes (vinken), amfibieën (kikkers, padden) en insecten (kevers).
We lopen al snel tegen konijnensporen aan. Die hebben drie kleine afdrukjes in een rechte lijn en een vierde, links naast de voorste afdruk.
Een vossenspoor dient zich aan en al snel blijkt dat die overal te vinden is. Een vossenpoot heeft een kuitje in zijn poot wat een bultje in het zand achterlaat. Er is een zgn “vossenkruis” te tekenen in het spoor (een X). Bij een hond is het meer een (>-<). Dit komt omdat een vossenpoot ovaler is en bij een hond de zijtenen verder uit elkaar staan. Een kronkelend vossenspoor duidt vaak op een zoektocht naar eten. Een recht spoor op het doelgericht ergens naartoe lopen (bv naar huis).
Langs het Wed zijn veel kraaiensporen aanwezig.
Wanneer vogels in een rechte lijn lopen zijn ze vaak op zoek naar water.
Wanneer Vlaamse Gaaien voedsel aan het verzamelen zijn, lopen ze vaak heen en weer in een rechte lijn van de vindplaats (vruchten bv) naar hun verzamelplaats.
In het algemeen zijn vogelsporen extreem moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Meestal tref je, vanuit een middelpunt, drie tenen naar voren aan en een teen loodrecht naar achteren, vanuit dat denkbeeldige middelpunt. Bij een reiger gaat die achterste teen vlak naast dat middelpunt loodrecht naar achteren.
Aboriginals doen heel veel met sporen. Een halve cirkel symboliseert voor hun de mens.
We treffen een sleepspoor aan tussen het potenspoor door loopt. Dit is meestal een staart van bv een eekhoorn. In ons geval is het lastig te zeggen: er lopen misschien twee of meerdere sporen door elkaar heen.
We zien een spoor van een damhert. De rechter en linker poten zitten vlakbij de denkbeeldige middenlijn. We spreken van een gesnoerd spoor.
De duindoorn heeft bessen weet Carla te vertellen. De bessen zijn eetbaar en bevatten heel veel vitamine C maar zijn ook zuur.
We treffen een amfibiespoor aan.
Amfibieën en reptielen bewegen anders. Ze maken rare “flabberspoortjes”.
Een kikker hopt in principe.
Een hagedis laat een sleepspoor achter vanwege zijn staart.
In dit geval is het een pad, herkenbaar aan de streepjes tussen de pootafdrukjes (sleepspoor van de nagels).
Gabriel laat ons een plek zien waar hij vanochtend een groep vinken actief bezig heeft gezien. Vinken hoppen! Geen sleepspoor te zien. Zo te zien waren ze erg ijverig!
Goed kijken levert een keverspoor op. Deze bestaat uit twee rijen van kleine korte schepjes naast elkaar. In de loop van de dag verdwijnen ze door werking van de zon.
We zien runderkeutels. Als het rund ook nog zichtbaar heeft geplast kun je afleiden of het om een mannetje of vrouwtje gaat. Een mannetje plast naar voren en poept naar achteren. Hieruit kun je de positie van de stier op zn moment van toiletteren bepalen. Bij een vrouwtje wordt dat lastiger want die plast en poept allebei naar achteren. Een knappe kop kan dan aan de “hoek van inslag in het zand” de stand van de koe bepalen…
Typisch spoor van een nordic walker: voetstappen, rechte strepen met regelmatig puntjes in het zand aan beide zijden.
We zien gaatjes in een dode boom. Waarschijnlijk van een specht op zoek naar voedsel. Het kunnen ook gaten zijn waar eikels in kunnen worden verstopt (of verstopt zijn geweest). Dat is een heel gedoe voor die specht. Ze zijn dan steeds bezig om te kijken of het past. Gaan ze het weer verplaatsen, opnieuw proberen etc.
Diepe sporen? Dan zijn het veelal hoefgangers. Bv Damhert, ree.
Als het erg diep gaat zie je soms de bijhoeven aan de achterzijde van de poot. Aan de scherpe diepe punt kun je de voorkant van de hoeven herkennen en daarmee de looprichting.
Aan de waterkant zijn veel vogelsporen te verwachten die water komen drinken zoals meeuwen.
We komen een spoor van een ree tegen. Deze is kleiner dan die van een damhert. Aan de voorzijde is ook een punt zichtbaar en de buitenkant van de afdruk is scherp. De achterzijde is minder duidelijk zichtbaar in het zand. Nu zijn geen bijhoeven zichtbaar.
We komen uitgelopen konijnenkeutels tegen.
Gabriel begint over een prachtig boek uit de jaren ’50:
“ The private life of the rabbit”, Lockly.
De tekenfilm “ Waterschapheuvel” is hier voor een groot deel op gebaseerd.
In het zand zien we een lang spoor, met een scheurtje aan de bovenkant. Vakkundig snijdt Gabriel er een plakje uit. Het blijkt een gangetje te zijn van iets als een worm
Gabriel blijkt een enorme passie voor diersporen te hebben en de verhalen volgens elkaar in rap tempo op.
Hij vertelt over mollen in de winter wanneer er sneeuw op de bevroren ondergrond ligt. De mollen kunnen niet meer in de grond graven en gaan hun gangen in de sneeuw graven. Wanneer de sneeuw gaat smelten wordt het graafspoor zichtbaar.
(Wat gaan mollen eigenlijk doen wanneer de grond bevroren is en er ligt geen sneeuw?)
Veel dieren gaan naar het water om te drinken, zoals rund, paard, schaap. Maar niet alle roofdieren gaan naar het water om te drinken: zij zoeken prooidieren.
We vinden een geleiachtige massa aan de waterkant: “sterrenschot”. Dit zijn de onverteerbare eileiders van kikkers/padden die zijn uitgespuwd door reigers. We zien nu inderdaad ook een reigerspoor.
Enthousiast toont Gabriel ons sporen van een marterachtige. Vier tot vijf tenen, in een kransje. Een marterachtige maakt een viersprong: alle vier poten bij elkaar, rug krom, en tijdens de sprong de rug recht. In gedachten zien we het beestje al voorbij springen alsof het een soort dansje uitvoert. Het is nu niet te zeggen welke soort het is. Het onderscheid hangt af van de maten. Foto’s met een liniaal zijn gemaakt.
Veel dieren zijn in de schemering actief.
We komen op een plek langs de waterkant die totaal is platgetrapt, waarschijnlijk gisteravond en/of vanochtend. In de zomer is het vaak een schaapskunne. In dit geval zien we in ieder geval: damhert, ree en vos.
We lopen van het water af richting duinen. We zien een hele mooie keutel!
Er ontstaat hilariteit in de groep onder leiding van een enthousiaste Gabriel.
Het is een versteende drol van een rund!
We zijn nog niet uitgesproken over konijnen. Hier kun je een hele studie van maken. Bijvoorbeeld over het keutelgedrag van konijnen. Dit is erg variërend en er zijn nog veel zaken onduidelijk. Waarschijnlijk speelt territoriumgedrag soms ook een rol.
Bij een afrastering of hek komen vaak sporen uit (wissels). Deze loopt dan verder door langs het hek of anders er onderdoor als het een klein dier betreft.
Vaak kun je hier haren aantreffen met name aan prikkeldraad.
We vinden een dode spitsmuis. We vragen ons af hoe deze is gestorven. Er is geen bloed zichtbaar of sporen van vraat. Misschien een natuurlijke dood? Het diertje is slap, wat de vraag oproept hoe lang het al dood is. Gabriel legt ons kort uit hoe het zit met lijkstijfheid, “ Rigor Mortes”. Een paar uur na de dood treedt de stijfheid op. Maar dit is tijdelijk want na een paar uur wordt het lijk weer slap.
We zien langs een wissel een overhangende tak met wat haar. Het lijkt aan de hoge kant voor een konijn en zelfs een vos. Maar het is heel zacht haar, zijdezacht. Misschien toch een konijn?
We zien aangevreten dennenappels.
Soms denken we dat ze zijn aangevreten maar zijn ze gewoon door ouderdom uiteengevallen. Goed kritisch kijken dus.
Eekhoorns eten de dennenappels in de boom op maar doen dit slordig. De dennenappels worden rafelig.
Muizen hebben kleinere tandjes en eten veel egaler. Zij laten de dennenappels wat netter achter.
Nog napratend over het spoor van de marterachtige, komt de “wezeldans” ter sprake.
Deze beestjes dansen rondom hun prooi die als het ware worden gehypnotiseerd (bv konijnen) totdat ze toeslaan.
Als toegift van deze interessante excursie zijn we met een kleine groep naar het Middenduin gegaan. Dit bevindt zich achter het bezoekerscentrum “de Zandwaaier”.
Dit is een prachtige vallei te midden van bosrijke duinen. De duinen die hier stonden zijn afgegraven om een aantal grachten in Haarlem te dempen. We zijn langs de rand gelopen naar het zwarteveldmeertje. Hoewel het uitzonderlijk schijnt te zijn hebben we de hele wisentenkudde kunnen zien! Een populatie van 8 tot 10 exemplaren waarvan 6 kalveren (4 kleintjes).
Soms kwamen we ook een paar floristische zaken tegen:
Groene ossentong.
Kardinaalsmuts (2-zaadlobbig). Prachtige rode vrucht (niet eetbaar!).
Wilde tijm.
Geel walstro.
Glad parelzaad.
Ik weet zeker dat de meesten van ons met een andere blik naar diersporen kijken dankzij Gabriel!
maandag 19 oktober 2009
zaterdag 10-10-2009
Verslag excursie Paddenstoelen de Poel / Amsterdamsebos
Datum: 10 oktober 2009
Excursieleider: Henk
We verzamelden bij Silversand. In twee groepen gingen we op pad. Toen we bij de Poel aankwamen viel meteen op dat al het riet gemaaid was. Een heel andere beleving dan tijdens de excursie die we in de lente meemaakten.
Onze groep ging eerst langs de poel en daarna het bos in. We kwamen langs de Poel een Geelwitte Russula tegen die nabij een berk stond. De russula’s hebben grove lamellen. De Geelwitte Russula komt voor op zure tamelijk voedselarme grond en is zeer algemeen. Het is een Mycorrhizavormende paddenstoel die in dit geval in symbiose leefde met de berk. De boomwortels worden door een schimmelmantel omgeven, waardoor uitwisseling van voedingsstoffen plaatsvindt. Ook beschermt de schimmelmantel de boomwortels tegen uitdroging en vergiftiging met zware metalen en met antibiotica tegen aanvallen van parasieten. Henk noemde het een zogenaamde ‘huisapotheek’ van de boom. De paddenstoel en de boom hebben profijt van elkaar en communiceren als het ware met elkaar. De Aardappelbovist stond er in de buurt en leeft ook in symbiose met de berk. In het stukje langs de Poel waren vooral Mycorrhizavormende paddenstoelen (symbionten) aanwezig.
Er ligt weinig dood hout en/of ander dood organisch materiaal langs de Poel, dus is de kans saprofyten tegen te komen ook klein. Saprofyten leven voornamelijk van dood organisch materiaal als plantenresten, dood hout of dierlijke uitwerpselen. Zonder saprotrofe paddenstoelen (en afbraakbacteriën) zou de natuur in zijn eigen afval omkomen. In het bos kwamen we wel saprofyten tegen, zoals de Gewone Zwavelkop. Deze is te herkennen doordat de hoed fel zwavelgeel is. Omdat in de loop van de tijd de hoed verkleurd, kan de soort nog herkend worden aan de aanzet van de hoed: deze blijft geel gekleurd. Dit is bij de Rode zwavelkop niet het geval.
Een zwakte parasiet is de Berkenzwam, een houtzwam met buisjes. De soort komt uitsluitend op berken voor. Ze beginnen vaak op levende berken die al zwak zijn. Maar als de berk dan eenmaal dood gaat (als gevolg van bruinrot die de paddenstoel veroorzaakt) blijft de Berkenzwam er toch op voort leven als een saprofyt. Parasieten leven ten koste van hun gastheer, zoals hier de berk. Ze onttrekken de voedingsstoffen die voor de boom noodzakelijk zijn om te leven. Niet alle parasieten ruimen vervolgens hun eigenhandig gedode boom op door verder te leven als saprofyt. Er komen vaak ook andere soorten paddenstoelen voor die dan het dode hout uiteindelijk opruimen. Je krijgt dan een opeenvolging van soorten paddenstoelen, totdat de boom ‘op’ is.
In het bos roken we op een gegeven moment een echt aaslucht. Net alsof een dood beest in de buurt was. We gingen driftig op zoek en prompt stond er in de buurt de Grote stinkzwam. Hij had zijn sporen al aan de vliegen verloren, want de hoed was wit. Een stinkzwam komt uit een zogenaamd ‘duivelsei’ welke naar anijs ruikt. Vervolgens groeit dit duivelsei binnen enkele uren uit tot een paddenstoel die naar zeer sterke aasgeur ruikt. Hier komen insecten op af die de kleverige donkerolijfgroene massa erg lekker vinden. Met de uitwerpselen van de insecten worden de sporen van de stinkzwam uiteindelijk verspreid.
De Knolhoningzwam groeide volop in het bos, we kwamen hem overal tegen. Deze soort is in tegenstelling tot zijn parasitaire broertjes, een saprofyt. De soort groeit meestal in bundels op hout.
Ik las dat de grijze gaatjeszwam het hout afbreekt door middel van organohalogenen (gechloreerde koolwaterstoffen, PAK’s) en chloorfenolen, die zij zelf produceert. Deze zelfde eigenschap hebben ook de Zwavelkoppen (Psilocybe) en de Mycena's. Vandaar dat ze naar chloor ruiken.
In het bos was de meeste variëteit aan paddenstoelen. Uiteindelijk hebben we meer dan 50 soorten gezien (zie lijst hieronder). De meeste paddenstoelen die we gezien hebben zijn opruimers (saprofiet). Ook mycorrhiza-vormende paddenstoelen waren er veel. Parasieten hebben we veel minder waargenomen.
Nederlandse naam Groep Levenswijze Opmerkingen
1 Geelwitte russula Russula’s Mycorrhiza
2 Aardappelbovist spp. Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza
3 Rimpelende melkzwam Melkzwam (Lactarius)Mycorrhiza
4 Berke ridderzwam Ridderzwam Mycorrhiza
5 Kleine berkenrussula Russula Mycorrhiza Variabele hoedkleur.
6 Berkenboleet Ruigsteelboleet Mycorrhiza
7 Berkenzwam Zwakte parasiet Uitsluitend op berken
8 Braakrussula Mycorrhiza Grote lamellen
9 Viltige maggizwam Melkzwam Mycorrhiza Ruikt naar maggi
10 Donzige melkzwam Melkzwam Mycorrhiza
11 Gele berkenrussula Russula Mycorrhiza
12 Bundel mycena Mycena Saprofyt Chloorgeur
13 Citroenschijfje? Niet in literatuur te vinden.
Geel klein schijfje op dood hout.
14 Stijfselzwammetje Trilzwam Saprofyt op hout
geleiachtige trilzwam lijkt op kloddertjes stijfsel
15 Langsteel franjehoed Franjehoed Saprofyt
Lamellen zijn dieppaars/zwart, voornamelijk op houtsnippers
16 Oranje aderzwam Saprofyt Veroorzaakt witrot
17 Satijnzwam spp. Satijnzwam Saprofyt of mycorrhiza Veelal giftig
18 Gewone zwavelkop Aanzet van de hoed is geel
19 Grote stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
20 Kleine stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
21 Kale inktzwam Saprofyt
22 Oorzwammetje spp. Oorzwammetje Saprofyt Voedselrijke omgeving
23 Grauwgroene hertenzwam Hertenzwam Saprofyt
Lamellen vrij, heeft roze sporen!
24 Fopzwam spp. Fopzwam (Laccaria) Mycorrizha Vaak bij jonge bomen
25 Vaalhoed spp. Vaalhoeden Mycorrizha
Lamellen aangehecht, heeft aardappelgeur en hoed iets kleverig
26 Beukenblad mycena Zit op beukenblad
27 Roestbruine kogelzwam Kogelzwam Saprofyt of parasiet op hout
Vooral op beuken
28 Roze knoopzwam Saprofyt
Op dode stammen of takken van met name beuken
29 Gekraagd mosklokje Mosklokje Saprofyt Lamellen aangehecht
30 Helmmycena Mycena Saprofyt
Dwarsschotjes tussen lamellen (met loepje kijken)
31 Kaaszwam spp. Kaaszwam Parasiet en saprofyt sponzig
32 Knolhoningzwam HoningzwamMeestal parasitair, maar deze soort is een saprofyt Heeft rommelige lamellen
33 Pracht mycena Mycena Saprofyt
Op mossige takken en op bladstrooisel (beuk) in loofbossen op klei. Rode lijst.
34 Gewimperde aardster Aardster Saprofyt
In loof- en naaldbos, vnl op strooisellaag.
35 Gewone hertenzwam Hertenzwam Saprofyt Mooie lamellen
36 Bloedsteel mycena Mycena Saprofyt
Na breken steeltje, bloedrood melksap
37 Geweizwammetjes Xylaria Saprofyt
Vruchtlichaam gewei-achtig vertakt.
38 Wortelende aardappelbovistScleroderma Mycorrizha
Alle aardappelbovisten zijn giftig. Vaak op voedselrijke gestoorde bodem
39 Platte donderzwam Ganoderma Parasiet en saprofyt
Gallen zaten onder de hoed.
40 Glazige buisjeszwam Physisporinus Saprofyt Wasachtig korstvormig, onaangename geur op stronken (beuk, berk), soms over de (bos)bodem uitbreidend
41 Beukwortelzwam Wortelzwam Saprofyt, (mogelijk parasitair)
Aan de stamvoet of op wortels van beuken, meestal op enige afstand van de boom.
42 Gewoon elfenbankje Elfenbankje Saprofyt Wit van onderen
43 Grijze gaatjeszwam Wrijven wordt donker, rooklucht
44 Houtknotszwam (ook ‘dodemansvingers’) Xylaria Saprofyt
Zwarte vingers, van binnen wit. Vnl op dood hout beuk en eik
45 Scherpe collybia Collybia saprofyt
Herkenbaar aan ver uiteenstaande, vrij donkere lamellen. Scherpe smaak.
46 Eikenbladzwammetje Collybia Saprofyt
47 Peksteel Polyporus Saprofyt, minder vaak parasiet.
48 Breedplaatstreephoed Megacollybia Saprofyt
Erg lange dikke draden naar zwamvlok
49 Reuzezwam Meripilus giganteus Parasiet Veroorzaakt witrot
50 Krulzoom spp. Krulzoom Saprofyt of mycorrhiza Hoedrand ingerold
51 Wortelende aardappelbovist Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza Alle soorten giftig
Het was een hele leuke en leerzame excursie!
Wijnanda Hulsegge
Datum: 10 oktober 2009
Excursieleider: Henk
We verzamelden bij Silversand. In twee groepen gingen we op pad. Toen we bij de Poel aankwamen viel meteen op dat al het riet gemaaid was. Een heel andere beleving dan tijdens de excursie die we in de lente meemaakten.
Onze groep ging eerst langs de poel en daarna het bos in. We kwamen langs de Poel een Geelwitte Russula tegen die nabij een berk stond. De russula’s hebben grove lamellen. De Geelwitte Russula komt voor op zure tamelijk voedselarme grond en is zeer algemeen. Het is een Mycorrhizavormende paddenstoel die in dit geval in symbiose leefde met de berk. De boomwortels worden door een schimmelmantel omgeven, waardoor uitwisseling van voedingsstoffen plaatsvindt. Ook beschermt de schimmelmantel de boomwortels tegen uitdroging en vergiftiging met zware metalen en met antibiotica tegen aanvallen van parasieten. Henk noemde het een zogenaamde ‘huisapotheek’ van de boom. De paddenstoel en de boom hebben profijt van elkaar en communiceren als het ware met elkaar. De Aardappelbovist stond er in de buurt en leeft ook in symbiose met de berk. In het stukje langs de Poel waren vooral Mycorrhizavormende paddenstoelen (symbionten) aanwezig.
Er ligt weinig dood hout en/of ander dood organisch materiaal langs de Poel, dus is de kans saprofyten tegen te komen ook klein. Saprofyten leven voornamelijk van dood organisch materiaal als plantenresten, dood hout of dierlijke uitwerpselen. Zonder saprotrofe paddenstoelen (en afbraakbacteriën) zou de natuur in zijn eigen afval omkomen. In het bos kwamen we wel saprofyten tegen, zoals de Gewone Zwavelkop. Deze is te herkennen doordat de hoed fel zwavelgeel is. Omdat in de loop van de tijd de hoed verkleurd, kan de soort nog herkend worden aan de aanzet van de hoed: deze blijft geel gekleurd. Dit is bij de Rode zwavelkop niet het geval.
Een zwakte parasiet is de Berkenzwam, een houtzwam met buisjes. De soort komt uitsluitend op berken voor. Ze beginnen vaak op levende berken die al zwak zijn. Maar als de berk dan eenmaal dood gaat (als gevolg van bruinrot die de paddenstoel veroorzaakt) blijft de Berkenzwam er toch op voort leven als een saprofyt. Parasieten leven ten koste van hun gastheer, zoals hier de berk. Ze onttrekken de voedingsstoffen die voor de boom noodzakelijk zijn om te leven. Niet alle parasieten ruimen vervolgens hun eigenhandig gedode boom op door verder te leven als saprofyt. Er komen vaak ook andere soorten paddenstoelen voor die dan het dode hout uiteindelijk opruimen. Je krijgt dan een opeenvolging van soorten paddenstoelen, totdat de boom ‘op’ is.
In het bos roken we op een gegeven moment een echt aaslucht. Net alsof een dood beest in de buurt was. We gingen driftig op zoek en prompt stond er in de buurt de Grote stinkzwam. Hij had zijn sporen al aan de vliegen verloren, want de hoed was wit. Een stinkzwam komt uit een zogenaamd ‘duivelsei’ welke naar anijs ruikt. Vervolgens groeit dit duivelsei binnen enkele uren uit tot een paddenstoel die naar zeer sterke aasgeur ruikt. Hier komen insecten op af die de kleverige donkerolijfgroene massa erg lekker vinden. Met de uitwerpselen van de insecten worden de sporen van de stinkzwam uiteindelijk verspreid.
De Knolhoningzwam groeide volop in het bos, we kwamen hem overal tegen. Deze soort is in tegenstelling tot zijn parasitaire broertjes, een saprofyt. De soort groeit meestal in bundels op hout.
Ik las dat de grijze gaatjeszwam het hout afbreekt door middel van organohalogenen (gechloreerde koolwaterstoffen, PAK’s) en chloorfenolen, die zij zelf produceert. Deze zelfde eigenschap hebben ook de Zwavelkoppen (Psilocybe) en de Mycena's. Vandaar dat ze naar chloor ruiken.
In het bos was de meeste variëteit aan paddenstoelen. Uiteindelijk hebben we meer dan 50 soorten gezien (zie lijst hieronder). De meeste paddenstoelen die we gezien hebben zijn opruimers (saprofiet). Ook mycorrhiza-vormende paddenstoelen waren er veel. Parasieten hebben we veel minder waargenomen.
Nederlandse naam Groep Levenswijze Opmerkingen
1 Geelwitte russula Russula’s Mycorrhiza
2 Aardappelbovist spp. Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza
3 Rimpelende melkzwam Melkzwam (Lactarius)Mycorrhiza
4 Berke ridderzwam Ridderzwam Mycorrhiza
5 Kleine berkenrussula Russula Mycorrhiza Variabele hoedkleur.
6 Berkenboleet Ruigsteelboleet Mycorrhiza
7 Berkenzwam Zwakte parasiet Uitsluitend op berken
8 Braakrussula Mycorrhiza Grote lamellen
9 Viltige maggizwam Melkzwam Mycorrhiza Ruikt naar maggi
10 Donzige melkzwam Melkzwam Mycorrhiza
11 Gele berkenrussula Russula Mycorrhiza
12 Bundel mycena Mycena Saprofyt Chloorgeur
13 Citroenschijfje? Niet in literatuur te vinden.
Geel klein schijfje op dood hout.
14 Stijfselzwammetje Trilzwam Saprofyt op hout
geleiachtige trilzwam lijkt op kloddertjes stijfsel
15 Langsteel franjehoed Franjehoed Saprofyt
Lamellen zijn dieppaars/zwart, voornamelijk op houtsnippers
16 Oranje aderzwam Saprofyt Veroorzaakt witrot
17 Satijnzwam spp. Satijnzwam Saprofyt of mycorrhiza Veelal giftig
18 Gewone zwavelkop Aanzet van de hoed is geel
19 Grote stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
20 Kleine stinkzwam Stinkzwam Saprofyt
21 Kale inktzwam Saprofyt
22 Oorzwammetje spp. Oorzwammetje Saprofyt Voedselrijke omgeving
23 Grauwgroene hertenzwam Hertenzwam Saprofyt
Lamellen vrij, heeft roze sporen!
24 Fopzwam spp. Fopzwam (Laccaria) Mycorrizha Vaak bij jonge bomen
25 Vaalhoed spp. Vaalhoeden Mycorrizha
Lamellen aangehecht, heeft aardappelgeur en hoed iets kleverig
26 Beukenblad mycena Zit op beukenblad
27 Roestbruine kogelzwam Kogelzwam Saprofyt of parasiet op hout
Vooral op beuken
28 Roze knoopzwam Saprofyt
Op dode stammen of takken van met name beuken
29 Gekraagd mosklokje Mosklokje Saprofyt Lamellen aangehecht
30 Helmmycena Mycena Saprofyt
Dwarsschotjes tussen lamellen (met loepje kijken)
31 Kaaszwam spp. Kaaszwam Parasiet en saprofyt sponzig
32 Knolhoningzwam HoningzwamMeestal parasitair, maar deze soort is een saprofyt Heeft rommelige lamellen
33 Pracht mycena Mycena Saprofyt
Op mossige takken en op bladstrooisel (beuk) in loofbossen op klei. Rode lijst.
34 Gewimperde aardster Aardster Saprofyt
In loof- en naaldbos, vnl op strooisellaag.
35 Gewone hertenzwam Hertenzwam Saprofyt Mooie lamellen
36 Bloedsteel mycena Mycena Saprofyt
Na breken steeltje, bloedrood melksap
37 Geweizwammetjes Xylaria Saprofyt
Vruchtlichaam gewei-achtig vertakt.
38 Wortelende aardappelbovistScleroderma Mycorrizha
Alle aardappelbovisten zijn giftig. Vaak op voedselrijke gestoorde bodem
39 Platte donderzwam Ganoderma Parasiet en saprofyt
Gallen zaten onder de hoed.
40 Glazige buisjeszwam Physisporinus Saprofyt Wasachtig korstvormig, onaangename geur op stronken (beuk, berk), soms over de (bos)bodem uitbreidend
41 Beukwortelzwam Wortelzwam Saprofyt, (mogelijk parasitair)
Aan de stamvoet of op wortels van beuken, meestal op enige afstand van de boom.
42 Gewoon elfenbankje Elfenbankje Saprofyt Wit van onderen
43 Grijze gaatjeszwam Wrijven wordt donker, rooklucht
44 Houtknotszwam (ook ‘dodemansvingers’) Xylaria Saprofyt
Zwarte vingers, van binnen wit. Vnl op dood hout beuk en eik
45 Scherpe collybia Collybia saprofyt
Herkenbaar aan ver uiteenstaande, vrij donkere lamellen. Scherpe smaak.
46 Eikenbladzwammetje Collybia Saprofyt
47 Peksteel Polyporus Saprofyt, minder vaak parasiet.
48 Breedplaatstreephoed Megacollybia Saprofyt
Erg lange dikke draden naar zwamvlok
49 Reuzezwam Meripilus giganteus Parasiet Veroorzaakt witrot
50 Krulzoom spp. Krulzoom Saprofyt of mycorrhiza Hoedrand ingerold
51 Wortelende aardappelbovist Aardappelbovist (Scleroderma) Mycorrhiza Alle soorten giftig
Het was een hele leuke en leerzame excursie!
Wijnanda Hulsegge
zondag 11 oktober 2009
zaterdag 10-10-'09
Paddenstoelen rondleiding 10-10-2009
De rondleiding startte bij de ingang aan de Noorddammerweg. De groep verdeelde zich spontaan in tweeën , onze groep ging op stap met Jenny Breij , een zeer deskundige en enthousiaste rondleidster die al “25 jaar in de paddenstoelen zit”, zoals ze vertelde.
Wij begonnen in het Amsterdamse Bos en al gauw zag je de mensen van het rechte pad afgaan en door het struweel en tussen de bomen,zeer geconcentreerd lopen op zoek naar de paddenstoelen. Takken en takjes werden opgetild, stammen en stronken werden aan een nauwkeurig onderzoek blootgesteld.en ook de bodem werd geïnspecteerd, waarvoor de meesten van ons op de hurken gingen. Met behulp van spiegeltjes werd ook onder de hoed gekeken als de paddenstoel weinig voorkwam en ze moesten blijven staan. Andere, meer algemene paddenstoelen werden soms geplukt, maar na het determineren weer voorzichtig in de grond geduwd .
Dit leverde heel wat mooie en bijzondere vondsten op, waarvan heel veel foto’s gemaakt werden.
Maar naast onze ogen spraken we ook de andere zintuigen aan zoals ruiken en voelen. We ” knepen” soms de paddenstoelen want dan gingen ze zo leuk verkleuren of we gingen ze ”melken. Proeven deden we maar niet en dat was meer goed ook want juist op die dag stond er in de krant dat er een vrouw was overleden na het eten van paddenstoelen ( NRC 10-10-2009) en veronderstel dat wij dezelfde paddenstoelen hadden geproefd die die vrouw ophad.
Padden stoelen die we ontdekten waren
A) in het bos
Berkenzwam: deze paddenstoel heette vroeger berkendoder. Het is een parasiet. Hij heeft buisjes en zijn vlees is taai-elastisch
Mycena; is lekker stevig en zit op beukenbladeren
Helmmycena is een van de grootste mycena’s en groeit in bundels op rottend hout, zijn lamellen hebben tussenschotjes
Prachtmycena is zeer zeldzaam, zijn steel is oranjeachtig
Bloedsteelmycena: komt een druppeltje bloed uit als je hem knijpt
Honingzwam: heeft aangehechte lamellen, is houtbewonend. Zijn sporen zijn lichtgevend en geven ‘s nachts een zachte gloed af. Hij heeft zwarte myceliumstrengen; als drop of schoenveters. Hij is zeer algemeen; we zagen er dan ook ontzettend veel van,
.
Ziekenhuisboomkorst; Dit is een wasachtig blauwgrijskorstje dat naar lysol of pleisters ruikt.
Eikenbladzwammetje: kleine, meestal okergelige lamellen. Hij heeft een mooi dun steeltje, zijn naam is verwarrend, want hier staat hij niet tussen eiken maar tussen beuken.
Grijze gaatjeszwam (grijze buisjeszwam); hij zit op een stronk en is een van de weinige buisjeszwammen die grijze poriën heeft.
Zwavelkopjes: ook deze soort hebben we veel gezien in allerlei stadia(van jong tot oud, van klein tot groot). Deze paddenstoelen zijn ook weer gauw verdwenen.
Rode zwavelkop: In bundels groeiend, hoed min of meer steenrood
Elfenbankjes: zijn aan de onderkant wit, gaan een jaar mee, zijn variabel van kleur
Gele korstzwam: is dus een korstje en aan de onderkant wit.
Ggeel hoorntje: komt voornamelijk voor op vermolmd hout en was piepklein
Judasoor: voelt heel zacht aan en voelt ook als een oor. Je kan hem eten (bakken) Hij zat op een vlier
Leuk verhaaltje erbij: Judas kreeg spijt dat hij Jezus verraden had en hing zichzelf op aan een vlier, de vlier boog door , Judas viel er af maar schampte zijn oor. Sinds die dag groeit een trilzwam op de bast van de grote oude vlier.
Zakjeszwam: sporen worden gevormd in piepkleine zakjes, die pas open gaan als de sporen rijp zijn
Platte tonderzwam, deze krijgt er ieder jaar een wit randje bij. Is een buisjeszwam, is algemeen voorkomend. Is houtig en erg stevig om te voelen
Echte tonderzwam; is bijzonder, is een parasiet en zit op levende en dode bomen Hij kan een diameter van ongeveer 30 cm hebben.
Langsteel franjehoed: heeft minuscule franjes.
Grijsgroene hertenstam
Roodporiehoutzwam
Platte houtzwam; deze ruikt lekker zwammig.
Inktzwammen van jong tot oud, in allerlei maten en ook nog misvormde zwammetjes
Stijfselzwam: ziet er vies uit, als stijfsel (grijze kloddertjes,) komt op vermomd hout voor, is een trilzwam.
Schelpjeszwam: schattig wit, de lamellen zie je aan de bovenkant.
Dodemansvingers of houtknotszwam: ze zijn zwart, van binnen wit , als hij open barst komen de sporen naar buiten.
Wortelende aardappelbovist ( als je hem krabt dan verkleurt hij rood ) “worteltjes” aan de zijkant. Als hij openklapt zie je sporen.
Narcisridderzwam ruikt naar gas en heeft felgele , dicht opeen staande lamellen
Ridderzwammen hebben een stevige steel en hoed. Tussen de lamellen en de en de steel zit een “gootje” het is en mycorrhizavormende paddenstoel en gaat
een symbiose aan met bomen.
Glazige buisjeszwam; ze voelen hard aan en bedekken de dode tak nagenoeg en gaan over de grond naar een volgende tak of stronk
Mosklokje is klein en houtbewonend.
Kaaszwam: deze was oud en vies om te zien, kaaszwammen zijn altijd nattig als je erin knijpt.
Reuzenzwam: die eet alles
Witte kluifjeszwam: hoed onregelmatig en zadelvormig gelobd
Witte bultzwam: begint als wit bultje op de stam groeit uit tot een “vogeldrinkbakje.”
Russula: een symbiont
Kleine stinkzwam: heeft bij aanvang een groene kop, die uitgroeit tot een oranjekop. Hij word ook wel ”hondenpikkie” genoemd. Lijkt op een duivenei als hij jong is
Grote stinkzwam: is ook een fallusachtige stinkzwam, is in jong stadium in het ei door gelei omgeven.
Beukwortelzwam: heeft een hele lange steel en een kleverige gerimpelde hoed.
Gekraagde aardster; M. i. het leukste wat we vonden, het is een stervormige openende Stuifzwam. Als hij nog gesloten is, lijkt hij op een tulpenbol.
Spitsschubbige parasolzwam: heeft een ring en als je over zijn hoed wrijft voel je spitsige puntjes.
Schelpjeszwam: klein en wit, op hout.
Kogel houtskoolzwam: Snijd je deze zwam door midden dan zie je een soort ringen.
Hertenzwam: rossig aan de onderkant
Poederparasolzwam, piepklein met duidelijke franje.
b) Paddenstoelen langs de Poel
Bij de Poel is de grond arm en hier leven de symbionten Bomen en paddenstoelen helpen elkaar.
Gele berkenrussula
Berkenboleet is zacht en harig en heeft buisjes.
Baardige melkzwam, is dus melkend.
Rimpelende melkzwam hoort bij de berk.
Viltige maggizwam staat bij een berk en ruikt naar maggi.
Zwartwordende wasplaat Ze beginnen roodachtig en staan in gras
Gele aardappelbovist is giftig
Trechterzwammetje is heel klein
Berkenridderzwam is bijzonder en is ook de laatste paddenstoel van deze opsomming.
Voldaan en met veel nieuwe kennis gingen we naar huis .
Heel veel dank voor de fantastische rondleiding.
Hanny van Oostendorp
De rondleiding startte bij de ingang aan de Noorddammerweg. De groep verdeelde zich spontaan in tweeën , onze groep ging op stap met Jenny Breij , een zeer deskundige en enthousiaste rondleidster die al “25 jaar in de paddenstoelen zit”, zoals ze vertelde.
Wij begonnen in het Amsterdamse Bos en al gauw zag je de mensen van het rechte pad afgaan en door het struweel en tussen de bomen,zeer geconcentreerd lopen op zoek naar de paddenstoelen. Takken en takjes werden opgetild, stammen en stronken werden aan een nauwkeurig onderzoek blootgesteld.en ook de bodem werd geïnspecteerd, waarvoor de meesten van ons op de hurken gingen. Met behulp van spiegeltjes werd ook onder de hoed gekeken als de paddenstoel weinig voorkwam en ze moesten blijven staan. Andere, meer algemene paddenstoelen werden soms geplukt, maar na het determineren weer voorzichtig in de grond geduwd .
Dit leverde heel wat mooie en bijzondere vondsten op, waarvan heel veel foto’s gemaakt werden.
Maar naast onze ogen spraken we ook de andere zintuigen aan zoals ruiken en voelen. We ” knepen” soms de paddenstoelen want dan gingen ze zo leuk verkleuren of we gingen ze ”melken. Proeven deden we maar niet en dat was meer goed ook want juist op die dag stond er in de krant dat er een vrouw was overleden na het eten van paddenstoelen ( NRC 10-10-2009) en veronderstel dat wij dezelfde paddenstoelen hadden geproefd die die vrouw ophad.
Padden stoelen die we ontdekten waren
A) in het bos
Berkenzwam: deze paddenstoel heette vroeger berkendoder. Het is een parasiet. Hij heeft buisjes en zijn vlees is taai-elastisch
Mycena; is lekker stevig en zit op beukenbladeren
Helmmycena is een van de grootste mycena’s en groeit in bundels op rottend hout, zijn lamellen hebben tussenschotjes
Prachtmycena is zeer zeldzaam, zijn steel is oranjeachtig
Bloedsteelmycena: komt een druppeltje bloed uit als je hem knijpt
Honingzwam: heeft aangehechte lamellen, is houtbewonend. Zijn sporen zijn lichtgevend en geven ‘s nachts een zachte gloed af. Hij heeft zwarte myceliumstrengen; als drop of schoenveters. Hij is zeer algemeen; we zagen er dan ook ontzettend veel van,
.
Ziekenhuisboomkorst; Dit is een wasachtig blauwgrijskorstje dat naar lysol of pleisters ruikt.
Eikenbladzwammetje: kleine, meestal okergelige lamellen. Hij heeft een mooi dun steeltje, zijn naam is verwarrend, want hier staat hij niet tussen eiken maar tussen beuken.
Grijze gaatjeszwam (grijze buisjeszwam); hij zit op een stronk en is een van de weinige buisjeszwammen die grijze poriën heeft.
Zwavelkopjes: ook deze soort hebben we veel gezien in allerlei stadia(van jong tot oud, van klein tot groot). Deze paddenstoelen zijn ook weer gauw verdwenen.
Rode zwavelkop: In bundels groeiend, hoed min of meer steenrood
Elfenbankjes: zijn aan de onderkant wit, gaan een jaar mee, zijn variabel van kleur
Gele korstzwam: is dus een korstje en aan de onderkant wit.
Ggeel hoorntje: komt voornamelijk voor op vermolmd hout en was piepklein
Judasoor: voelt heel zacht aan en voelt ook als een oor. Je kan hem eten (bakken) Hij zat op een vlier
Leuk verhaaltje erbij: Judas kreeg spijt dat hij Jezus verraden had en hing zichzelf op aan een vlier, de vlier boog door , Judas viel er af maar schampte zijn oor. Sinds die dag groeit een trilzwam op de bast van de grote oude vlier.
Zakjeszwam: sporen worden gevormd in piepkleine zakjes, die pas open gaan als de sporen rijp zijn
Platte tonderzwam, deze krijgt er ieder jaar een wit randje bij. Is een buisjeszwam, is algemeen voorkomend. Is houtig en erg stevig om te voelen
Echte tonderzwam; is bijzonder, is een parasiet en zit op levende en dode bomen Hij kan een diameter van ongeveer 30 cm hebben.
Langsteel franjehoed: heeft minuscule franjes.
Grijsgroene hertenstam
Roodporiehoutzwam
Platte houtzwam; deze ruikt lekker zwammig.
Inktzwammen van jong tot oud, in allerlei maten en ook nog misvormde zwammetjes
Stijfselzwam: ziet er vies uit, als stijfsel (grijze kloddertjes,) komt op vermomd hout voor, is een trilzwam.
Schelpjeszwam: schattig wit, de lamellen zie je aan de bovenkant.
Dodemansvingers of houtknotszwam: ze zijn zwart, van binnen wit , als hij open barst komen de sporen naar buiten.
Wortelende aardappelbovist ( als je hem krabt dan verkleurt hij rood ) “worteltjes” aan de zijkant. Als hij openklapt zie je sporen.
Narcisridderzwam ruikt naar gas en heeft felgele , dicht opeen staande lamellen
Ridderzwammen hebben een stevige steel en hoed. Tussen de lamellen en de en de steel zit een “gootje” het is en mycorrhizavormende paddenstoel en gaat
een symbiose aan met bomen.
Glazige buisjeszwam; ze voelen hard aan en bedekken de dode tak nagenoeg en gaan over de grond naar een volgende tak of stronk
Mosklokje is klein en houtbewonend.
Kaaszwam: deze was oud en vies om te zien, kaaszwammen zijn altijd nattig als je erin knijpt.
Reuzenzwam: die eet alles
Witte kluifjeszwam: hoed onregelmatig en zadelvormig gelobd
Witte bultzwam: begint als wit bultje op de stam groeit uit tot een “vogeldrinkbakje.”
Russula: een symbiont
Kleine stinkzwam: heeft bij aanvang een groene kop, die uitgroeit tot een oranjekop. Hij word ook wel ”hondenpikkie” genoemd. Lijkt op een duivenei als hij jong is
Grote stinkzwam: is ook een fallusachtige stinkzwam, is in jong stadium in het ei door gelei omgeven.
Beukwortelzwam: heeft een hele lange steel en een kleverige gerimpelde hoed.
Gekraagde aardster; M. i. het leukste wat we vonden, het is een stervormige openende Stuifzwam. Als hij nog gesloten is, lijkt hij op een tulpenbol.
Spitsschubbige parasolzwam: heeft een ring en als je over zijn hoed wrijft voel je spitsige puntjes.
Schelpjeszwam: klein en wit, op hout.
Kogel houtskoolzwam: Snijd je deze zwam door midden dan zie je een soort ringen.
Hertenzwam: rossig aan de onderkant
Poederparasolzwam, piepklein met duidelijke franje.
b) Paddenstoelen langs de Poel
Bij de Poel is de grond arm en hier leven de symbionten Bomen en paddenstoelen helpen elkaar.
Gele berkenrussula
Berkenboleet is zacht en harig en heeft buisjes.
Baardige melkzwam, is dus melkend.
Rimpelende melkzwam hoort bij de berk.
Viltige maggizwam staat bij een berk en ruikt naar maggi.
Zwartwordende wasplaat Ze beginnen roodachtig en staan in gras
Gele aardappelbovist is giftig
Trechterzwammetje is heel klein
Berkenridderzwam is bijzonder en is ook de laatste paddenstoel van deze opsomming.
Voldaan en met veel nieuwe kennis gingen we naar huis .
Heel veel dank voor de fantastische rondleiding.
Hanny van Oostendorp
Abonneren op:
Posts (Atom)





